*

 
dossier

Archief

Kamerkeurmerk krijgt bijval door Marieke van Maaren

MARIEKE VAN MAAREN − 01/02/97, 00:00

AMSTERDAM - De kraan is kapot en dagenlang is er in het hele huis geen druppel water te krijgen. De huurders bellen de huisbaas, maar die weigert te komen. Hij komt alleen eens per maand langs om de huur in contanten te innen.

In deze situatie zit menig kamerbewoner. Huisjesmelkers profiteren van de kamernood door allerlei slecht onderhouden hokken voor veel geld te verhuren. Daar moet maar eens een eind aan komen, besloot de Nationale Woningraad onlangs.

Daarom komt er een keurmerk, waardoor huurders meer zekerheid over de kwaliteit van hun kamer krijgen. Bij verlening van het keurmerk zal worden gelet op de prijs-kwaliteit verhouding, het sanitair, de brandveiligheid en de manier waarop klachten van huurders worden afgehandeld. Het stempel moet tevens het imago van huisjesmelkers opkrikken.

Inmiddels zijn 12 kamerverhuurders en pensions in Den Haag benaderd om mee te werken. Als dat effect heeft, zullen andere steden volgen.

Het is echter onwaarschijnlijk dat de cliché-huisjesmelker (corrupt, slecht onderhoud, hoge huur) door het keurmerk uit zal sterven. Zolang er kamernood is, valt ieder hok te verhuren. Daarbij komt dat kamers in de centra van de grote steden zo geliefd zijn dat weinigen zich druk zullen maken over wel of geen keurmerk.

Aan een Amsterdamse gracht staat een oud pand, waarin zes kamers worden verhuurd. Het blijkt een populair woonoord. De bewoners betalen flinke huren, voor weinig comfort en de huisbaas wordt omschreven als een 'zeikerd met paranoïde waanideeën'. Toch blijven ze, de plek is mooi, de kamers groot en voorzien van eigen sanitair. Daarom dienen de bewoners ook geen klacht in bij de huurcommissie.

Een meisje dat er al jaren woont, wil wel over haar woonsituatie vertellen, mits ze anoniem blijft. De verhuurder mag er niet van weten. Ze vreest anders uit huis te worden gezet. “Die man is bang om te worden ontdekt, hij verhuurt de kamers namelijk zwart. Daarom moeten we de huur ook contant betalen,” vertelt ze. “Ik ga met een envelop naar een familielid van de huisbaas en geef het aan de deur af. Wanneer ik even te laat ben, gaan ze schelden.”

Verrot

Het meisje betaalt bijna 600 gulden (“De kamers zijn hier duur. De huisbaas wil ook dat je ouders geld hebben. Lijkt hem veiliger”) voor haar 25 m2, met eigen keuken en sanitair en 's winters een ijzige tochtstroom. “De huisbaas heeft de kozijnen niet geschilderd, waardoor ze verrotten. Als het vriest heb ik drie truien aan.”

Klagen heeft weinig zin: “Een paar jaar geleden bleef de warme kraan op mijn kamer druppen waardoor de geiser steeds aansprong. Ik was bang dat er gas vrijkwam, dus belde ik de huisbaas. Die wilde er niets aan doen. Volgens hem hadden mijn vrienden de kraan te hard dicht gedraaid en zo kapot gemaakt. Na veel gezeur heb ik het zelf maar gerepareerd.”

In het hele huis zijn sporen van de beunhazerij van de huisbaas te vinden. Zo timmerde hij een dakterras, maar dan zonder toegangsdeur. Het vergt klimtechnieken om er te komen. “Schrijf maar niet op, hoe dat precies gaat. Dat is te herkenbaar, want zoiets komt nergens anders voor”, waarschuwt de bewoonster.

En eens in de zoveel tijd ligt er een brief van de huisbaas op de mat met nieuwe 'huisregels'. Ze somt op: “Bezoek mag 's zomers niet in het raam zitten, doucheknoppen poetsen is verplicht, kandelaars moeten vanwege brandgevaar op een dienblad staan enzovoort.” Ze houdt zich er niet aan, de huisbaas kan toch niet altijd controleren.

De bewuste verhuurder ontkent overigens alles. “Verhuur ik kamers?” is zijn enige commentaar.

Het zijn dit soort kamerbazen waar A. Schnetz, kamerverhuurder in Utrecht, van af wil. Hij is bestuurslid van Huis en Eigendom en komt daarin op voor de belangen van kamerverhuurders. Zelf verhuurt hij 150 kamers. “En die zijn kwalitatief in orde, dus een keurmerk mag er van mij komen”, aldus Schnetz. “We werken nu al samen met de Nationale Woningraad.”

“De huurder moet meer duidelijkheid hebben over de kwaliteit. Ik doel ook op eerstejaarsstudenten, misschien willen hun ouders iets over de veiligheid van de kamer weten. Daarnaast willen we het imago van de verhuurders verbeteren.” Daarin staat Schnetz niet alleen, in 1990 richtte hij een vereniging voor verhuurders op. Binnen een jaar waren er 120 leden die goede kamers verhuren en hun imago willen opkrikken. Onlangs is deze vereniging opgegaan in Huis en Eigendom.

Schnetz heeft geen last van concurrentie van zijn minder eerlijke collega's: “Huurders gaan maar tijdelijk in een slechte en vaak dure kamer. Ik verhuur kwaliteit én het is goedkoper. Ik houd me namelijk aan het puntensysteem van de overheid om de prijs te bepalen. Toch heb ik een wachtlijst van een jaar.”

In de studentenstad Groningen heeft het keurmerk kans van slagen. Hier heerst alleen in de zomermaanden kortstondig kamernood, als de eerstejaars arriveren. Daarna moeten kamerverhuurders concurreren om de huurder. Snode huisjesmelkers hebben in het noorden weinig kans, een kwalitatief slechte kamer raken ze niet kwijt. Er genoeg aanbod.

“Tien jaar geleden kon ik een donker hok nog wel kwijt. Maar nu lukt dat nauwelijks, hoogstens in juli en augustus”, zegt J. Kuilman, een grote particuliere kamerverhuurder (73 kamers) in Groningen. “Mijn kamers moeten er goed uitzien. Vaak zit er een keukenblokje in en zijn ze minstens 14 m2. Een keurmerk lijkt me geen gek idee. Er wordt nog te veel rommel verhuurd.”

mailIcon print |