*

 
dossier

Archief

Karremans had gelijk: Mladic was goed strateeg

WILMA KIESKAMP − 29/07/95, 00:00

Filmbeelden zijn er niet van Servische verovering van de enclaves Srebrenica en Zepa, de Servische propaganda-video's niet meegerekend. Ook het optreden van de Nederlandse blauwhelmen kan alleen achteraf, aan de hand van getuigenverklaringen, worden gereconstrueerd. “We hebben schokkende dingen moeten doen”, zegt soldaat Jord Honig (20) van de Bravo-compagnie.

“Het allerbangst zijn we geweest toen dinsdag 11 juli, de dag dat Srebrenica viel, een Servische mortiergranaat insloeg bij de ingang van onze compound in de stad. Het stond op die plek vol met burgers die in paniek naar onze VN-post waren gevlucht. Een - toevallig onbemand - VN-pantservoertuig werd daarbij volledig vernield. Ik weet niet hoeveel doden er zijn gevallen. Het was een verschrikkelijk gezicht. De meesten van ons hadden nog nooit zoiets gezien. Terwijl we als een gek de gewonden in veiligheid probeerden te brengen, verwachtten we de volgende mortieraanval. We hoorden eigenlijk in de bunker te zitten. Als militair weet je: de eerste mortiergranaat is alleen maar om te richten, daarna komt het 'uitwerkingsvuur'.

Er landde nog een 120 millimeter mortier op 30 meter afstand van ons terrein. Een belangrijk aggregaat werd doorzeefd. Een ander projectiel sloeg in op het parkeerterrein aan de achterkant van de oude textielfabriek waar we in bivakkeerden. Daar was gelukkig niemand. We denken achteraf dat de Bosnische Serviërs bewust over de compound hebben heengeschoten, naar de moslim-stellingen. Ze schoten niet gericht op blauwhelmen, zo slim waren ze wel. Maar daar durfden we toen niet zo zeker van te zijn. En wat als een projectiel afdwaalt?

Die ene mortier die zoveel doden heeft veroorzaakt, was een Servisch antwoord op een ontzettend stomme actie van een moslim-strijder. Ik heb zelf gezien hoe iemand tussen het publiek, nèt buiten ons hek, een klein mortier afvuurde richting de Bosnisch-Servische stellingen. Ik zag de rook van het schot. Die moslim-soldaat hield zich schuil tussen de vrouwen en kinderen. Schande, voor een militair. Dit soort incidenten maakte onze waardering voor het moslim-leger niet groter. Het was een ongedisciplineerd zooitje.

De mensen boden ons van alles om maar op het terrein te mogen. Handgranaten en kogels zelfs. Munitie was veel waard in Srebrenica. Maar we konden ze gewoon niet binnenlaten. Het waren er teveel. Alleen de gewonden mochten het terrein op. We moesten een lijn vormen om de rest tegen te houden.

Als we op dat moment de bunker waren ingegaan, zou de hele meute, begrijpelijk, achter ons aan zijn gerend. Dan hadden we vastgezeten. We moesten wel boven blijven. Waar het kon, probeerde je maar wat dekking te zoeken tussen de geparkeerde legervoertuigen. En hurkend rennen. We waren superbang.

Ik hielp bij het transport van gewonden. Alles moest snel, snel, snel. Met één trap de wand van een prefab-kantine losgetrapt, met één haal de tafels en stoelen eruit gegooid, zodat er weer plek was voor nieuwe gewonden. Er was geen tijd om na te denken. Niemand wachtte meer op orders; wat gedaan moest worden, werd gedaan. We hebben ons als compagnie toen echt bewezen, vind ik. Vrachtwagens werden, knal, dwars door de houten wand van hun stalling heen naar buiten gereden. Als het maar snel ging.

Toen de beschietingen even stopten ben ik mijn paspoort en mijn tasje met spullen gaan halen in de bunker. Beneden zaten collega's te huilen van ellende. We wisten dat de stad zou vallen, ondanks de airstrikes die eerder die dag door de Navo waren uitgevoerd. De gewonden zijn op een viertonner geladen en we zijn gevlucht. “Zo snel mogelijk naar Potocari”, luidde onze opdracht. In Potocari was de grote VN-compound, onze hoofdbasis.

We hebben Srebrenica niet meer gezien, want de vier kilometer lange weg naar Potocari voerde ons direct de stad uit. Die weg naar Potocari, dat was een film. Ik snap niet dat ik dat echt heb meegemaakt. Tienduizenden vluchtten via die ene weg de stad uit. Vooral vrouwen, kinderen en bejaarden. De meeste mannen waren al de bergen ingevlucht. Over de weg heen schoten de Bosnische Serviërs vanaf de hellingen op moslim-stellingen aan de andere kant. De meeste moslim-posities waren toen al lang opgegeven. Wij hadden het gevoel dat het moslim-leger wel erg snel was vertrokken. Ze vonden dat wij van de VN maar moesten zorgen dat de vluchtelingen nog op tijd weg konden komen.

Ik zag een oude vrouw die op handen en voeten kroop, bloedend. Kinderen waren hun ouders kwijtgeraakt. Overal lag bagage, weggegooid om maar harder te kunnen rennen. Er waren mensen die in berm zaten, uitgeput. We probeerden ze overeind te hijsen. “To Potocari, Cetniks come!”, schreeuwden we. Maar als ze bleven zitten, kon je weinig doen. Dan kon je alleen hopen dat ze even later alsnog verder zouden lopen.

Het ergerlijke was dat er ook gezonde kerels uit Srebrenica rustig zaten te kijken hoe de uittocht verliep. Die staken echt geen poot uit om hun eigen mensen te helpen. Daar moesten wij weer voor zorgen, want het was onze schuld dat de enclave geen stand had gehouden. De meeste mensen dachten alleen aan zichzelf. Mensen worden heel egoïstisch. Misschien is dat ook wel begrijpelijk in zo'n situatie. Om eerlijk te zijn heb ik zelf ook eerst aan mijn eigen veiligheid gedacht. En wat konden we doen? We konden niet al die vluchtelingen op onze rug nemen. En uiteindelijk zijn de meesten toch heelhuids aangekomen in Potocari?

De helft van de route hebben mijn maten en ik rennend afgelegd, van meter tot meter dekking zoekend. Daarna kregen we een lift van een pantservoertuig. Eigenlijk mocht dat niet. Onze lijfelijke aanwezigheid op de weg naar Potocari was bedoeld om de mensen te beschermen. Maar de sergeant hees ons naar binnen: “Eerst jullie in veiligheid.”

De YPR zat vol met medische hulpmiddelen. Die chauffeur heeft het moeilijk gehad. Het was een kwestie van gas geven en hopen dat de mensen aan de kant zouden springen. Maar af en toe voelden we een hobbel. Er lagen lijken op straat waar we niet voor konden uitwijken. We konden ook niet stoppen, want dan waren we een schietschijf geweest voor de Servische mortieren. We moesten wel doorrijden. Als je weer een hobbel voelde, zeiden we tegen elkaar: het kan ook een kar zijn waar we over heen rijden, of een koffer.

Ik heb niet gezien dat de Serviërs gericht op vluchtelingen hebben geschoten. Maar het had gekund. Je hoorde de kogels rondvliegen. Ook op de compound in Potocari, toen we daar eenmaal waren. De Serviërs schoten met zwaar geschut over onze basis heen. Met tanks. Rondom de basis stond alles in brand.

Die middag en de daaropvolgende nacht heb ik met een goeie maat van me wacht gestaan om de basis te beschermen. We zaten in een pantservoertuig langs de rand van het kamp, met onze neus richting de Servische tanks. We hadden opdracht gekregen zoveel mogelijk munitie mee te nemen. Behangen met tasjes met magazijnen ben ik die YPR ingedoken. Maar we hebben uiteindelijk niet geschoten. Dat mocht alleen als ze echt op óns vuurden.

Het was wachten, wachten. Ik dacht dat ik gek werd. Kort nadat we onze positie hadden ingenomen, hadden we ondekt dat we uitgerekend in het pantservoertuig zaten waarin Raviv van Renssen is doodgegaan. We konden precies de deuken en de pitjes zien van de handgranaat die bovenop Raviv is ontploft. Ik zag ook rare vlekken, het leek wel bloed, maar mijn maat zei: het is vast iets anders. Zestien uur hebben we in het voertuig gezeten. Ik zag steeds Raviv weer voor me. Dan moet je niet teveel denken.

Vanuit de geschutskoepel heb ik de eerste Bosnische Serviërs langs zien trekken. Ze zwaaiden naar ons. Wij hebben teruggezwaaid. Ja, wat moet je. Je zet niet je handen aan je mond om hard te schreeuwen: 'Klootzakken!'.

Om 9.00 uur 's ochtends zijn we teruggeroepen naar de compound, die vol zat met duizenden gewonden en vluchtelingen. Het schijnt dat veel vluchtelingen zich 's nachts hebben opgehangen. Die dag kwamen meteen ook de bussen en de veewagens waarmee de Bosnische Serviërs de vluchtelingen deporteerden. Overal liepen soldaten van het BSA, het Bosnisch Servische leger. Er was ook een cameraploeg. Als ze filmden, gebeurde alles heel vriendelijk. Zodra de camera stopte, was de sfeer wel anders. Ze schreeuwden tegen de bejaarde vluchtelingen.

Ik heb geholpen met het inladen van de mensen in bussen en vrachtwagens. Wij hielpen de mensen erin en de Serviërs stonden een beetje toe te kijken. Alleen als ze volwassen mannen tussen de vluchtelingen ontdekten, stapten ze naar voren, om die er uit te halen. Dat ging soms zelfs met kolfstoten, vooral als wij maar éven niet keken. Ik voelde me totaal machteloos. Onze opdracht luidde 'Laat je als VN'er zien'. En meer konden we ook niet doen.

Als de Serviërs zelf de mensen in de bussen hadden geladen, was het agressiever gegaan. Wij hebben tenminste nog gezorgd voor pakken drinkwater, we hebben de zeilen van de vrachtwagens opgerold toen het in de brandende zon te heet werd voor de mensen. Iedereen was doodstil, ook de kinderen.

Ik moet eerlijk toegeven dat we ondanks alles best onder de indruk waren van de hele organisatie bij de Serviërs. Ze hadden het, in militair opzicht, gewoon perfect uitgemeten. Ze hebben ons doodsbang gemaakt, maar wel gezorgd dat we ongedeerd bleven. Ze hebben maandenlang onze bevoorrading tegengehouden, maar twee dagen voordat ons allerlaatste eten op was, stond het BSA in Potocari. Dat was blijkbaar niet voor niets zo, dat hebben ze zo gepland. Ze hadden de bussen voor de vluchtelingen al klaar staan. Dezelfde avond was er al vers brood, dat ze natuurlijk bij voorkeur in het zicht van de camera's uitdeelden.

Onze overste Karremans heeft gewoon gelijk als hij zegt dat die Mladic een goed strateeg is. Dat wil niet zeggen dat de Bosnische Serviërs geen wandaden hebben begaan, alleen dat ze de dingen slim organiseren. Het is belachelijk dat iedereen die ene opmerking van Karremans zo verkettert. Wat hadden wij meer kunnen doen voor de vluchtelingen? We waren overgeleverd aan Mladic.

Het vertrek van de tienduizenden vluchtelingen heeft maar anderhalve dag gekost, toen was de compound weer leeg. Er bleven alleen 42 gewonden bij ons achter. Het was zo vreemd rustig opeens. We draaiden een beetje wacht, we deden de was. Het stonk afschuwelijk op het hele terrein, overal lagen nog de uitwerpselen van de vluchtelingen die nu weg waren.

De dag dat het konvooi met vers eten en brandstof arriveerde was het feest. Ons eerste blikje bier sinds maanden! En vers eten! 's Avonds deed ook de televisie het weer. Via de satelliet keken we naar het RTL-4. Het eerste beeld dat we zagen was uitgerekend de begrafenis van Raviv. Daarna kwam een Franse minister in beeld, met de kritiek dat wij de enclave beter hadden moeten beschermen. Toen zijn we zo kwaad geworden. Wij hebben zoveel risico's genomen! Onze pantservoertuigen zijn tot het allerlaatste moment in de stad gebleven. Wij hebben middenin die klote-oorlog gezeten.''

“Ik heb uitgerekend wat ik verdiende als VN-soldaat: 5,84 gulden per uur, minder dan een vakkenvuller.”

mailIcon print |