*

 
dossier

Archief

'Van mij mag de zondag net zo goed op woensdag vallen'

DOOR ARJAN VISSER − 03/01/98, 00:00

Gij zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben.

Het hanteren van de Tien Geboden als wetsregels, strookt niet met het kader waarin ze gegeven zijn: 'Ik ben de Here uw God die u uit het diensthuis heeft uitgeleid'. Het is haast een oproep: 'Ik heb je toch bevrijd? Nou, niet dat krampachtige van dit mag niet en dat mag niet - je hoeft het allemaal niet meer te doen.' De hoofdsom uit het Nieuwe Testament is niet voor niets gegeven. Daar zegt Christus toch maar eventjes: 'Het gaat er vooral om dat je God liefhebt en je naaste als jezelf.' Paulus zegt: 'Al die geboden kun je samenvatten in een gebod: gij zult uw naaste lief hebben als uzelf. Wie daaraan voldaan heeft, heeft de hele wet vervuld.' Het is bevrijdend om te leren dat het daar om draait. Om niet langer de krampachtigheid te voelen van: ik voldoe aan geen van die geboden. Niet iedere dag meer te hoeven zeggen: ik schiet tekort. Ik voelde mij doorlopend een schuldig mens. Ik ben dat gevoel niet ineens kwijtgeraakt; dat is een proces in het leven geweest. Wat ik eraan heb overgehouden is het besef zelf verantwoordelijk te zijn voor wat ik doe. Dat kun je niet op een ander afschuiven. En de toets is dan, aan de hand van die hoofdsom, of wat ik gedaan heb al dan niet tot schade van mijn naaste is geweest. Ik ben niet tevreden over mezelf, allerminst. Nee, dat is niet de Gereformeerde Bonder in mij, want hij zal zichzelf steeds voorhouden dat je moet streven naar een stadium waarin je wel tevreden over jezelf kunt zijn. En ik denk dat je zoiets nooit bereikt.''

Gij zult u geen gesneden beeld maken noch enige gestalte van wat boven in de hemel, noch van wat beneden op de aarde, noch van wat in de wateren onder de aarde is.

“Ik heb geen idolen - als je het zo wilt zien. Ik ken wel waardevolle uitspraken die mij zijn bijgebleven. Zoals van Lacordaire, een Franse priesterarbeider uit de vorige eeuw, die zei: 'Het is vaak zo dat de wet bevrijdt en de vrijheid knevelt.' Dat is waar. Wetten dienen er vaak voor ruimte te maken voor mensen die ze anders niet hebben. En een overmaat aan vrijheid betekent niet zelden dat anderen gekneveld worden. Dat is ook wat ik tegen de VVD heb: hun vrijheidsbegrip deugt van geen kant. Als de mensen die zichzelf het slechtst kunnen redden er door veel vrijheid slechter op worden, dan deugt die vrijheid niet.”

Gij zult de naam van de Here, uw god, niet ijdel gebruiken.

“Is vloeken in strijd met dit gebod? Er staat gebruiken: dat wil zeggen je mag Zijn Naam niet voor je eigen doeleinden gebruiken. Daar is Hij niet voor. Dus: een christelijke partij hebben en geen christelijk beleid voeren. Zo ben ik ook niet gelukkig met God op onze munt. Met name de SGP heeft zich opgeworpen in de strijd God op die Europese munt te krijgen - en minister Zalm is ervoor gezwicht! Moet je eens kijken waar die munten voor gebruikt worden. Aan de goktafels van het casino: God Zij Met Ons. Hoerenlopers die voor de door hen gekochte diensten betalen: God Zij Met Ons. Ik vind dat je in strijd handelt met dit gebod als je er je best voor doet te zorgen dat het randschrift gehandhaafd wordt. De Bond tegen het Vloeken zou een goede daad gedaan hebben als die Zalm had opgeroepen om daarvan af te zien, in plaats van zich alleen maar te richten op dat eeuwige gvd. We winden ons te vaak over de verkeerde dingen op.”

Gedenk de sabbatdag, dat gij die heiligt, zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen; maar de zevende dag is de sabbat van de here uw god, dan zult gij geen werk doen.

“In de kring waar ik uit voortkom, moeten geboden altijd zo letterlijk gehanteerd worden. Goed: dan moet er dus op zaterdag niet gewerkt worden. 'Nee', zeggen ze dan, 'want de zondag is in plaats van de sabbat gekomen.' We hebben dat allemaal vanuit onze eigen ideeën geïnterpreteerd en dat zijn dan de nieuwe geboden geworden. Er staat ook: zes dagen zult gij arbeiden. Dus je moet je werk doen en je moet ook rust nemen. Dat staat er. En daar is dan die sabbat voor. Dat het die zondag is, staat ondergeschikt aan het feit dat je niet alleen maar met je werk bezig moet zijn. Dat je niet alleen maar je tijd in ledigheid moet doorbrengen, maar dat je een goede afwisseling moet hebben tussen werken en recreëren. Van mij mag de zondag net zo goed op woensdag vallen.”

Eert uw vader en uw moeder.

“Ik heb mijn ouders in beperkte mate geëerd. Zou je je kinderen niet hoeven te eren? In mijn leven betekenen mijn kinderen meer voor me dan mijn ouders voor mij betekend hebben. Ik ben altijd ontzettend blij geweest met mijn kinderen. Mijn ouders waren er gewoon. Ik kom uit een periode waarin ouders en kinderen weinig met elkaar praatten. Wij waren gesloten types. Mijn vader was een gevoelige man, maar dat uitte hij niet. Dat deed je, zeker als man, niet. Aan een iets beter contact kwam ik niet toe, dat waren sentimenten - niet goed. Zeggen dat je van elkaar houdt? Dat komt toch niet over je lippen? Ik heb bij mijn eigen kinderen - en pas echt goed bij mijn kleinkinderen - ontdekt dat het ook anders zou kunnen en ik geloof dat zij er nooit twijfel over gehad hoeven hebben of ik van ze hield. Mijn vader is op z'n 56ste overleden, tamelijk jong. Hij heeft nooit gezegd dat hij van mij hield, al weet ik het achteraf wel zeker. Hij was wel heel nabij. Ik was eigenzinnig, maar hij had ook een groot vertrouwen in me. Ik ben me van zijn invloed op mijn levensgang pas bewust geworden toen hij al dood was. Ik heb gemerkt hoe zeer ik - ook in dingen die ik liever niet zou erkennen - op mijn vader lijk. Mijn vader kon nogal zwaartillend zijn. Mijn moeder was nuchter, opgewekt. En ik ben toch een beetje een combinatie van die twee.”

Gij zult niet doodslaan.

“Het CDA Zuid-Holland houdt ieder jaar een soort manifestatieve bijeenkomst in Noordeloos en daar nodigen ze mij altijd weer voor uit. Da's mooi hè? Ze vinden dat ik daarbij hoor. Ik spreek daar als politicus. Bijvoorbeeld over abortus. 'Abortus is moord', zeggen die mensen uit de Alblasserwaard dan, 'want het is toch een beginnend leven.' Dan zeg ik: 'Er is nog een andere vraag: als abortus moord is, wie is dan de moordenaar?' 'Ja', zeggen ze dan, 'dat is natuurlijk de vrouw die de abortus pleegt.' En dan vertel ik hun het volgende verhaal. 'Ik kom ook uit deze streek, uit Bleskensgraaf, en daar hadden we een meisje, Heiltje van der Laan. Niemand wist wie haar vader was. Haar moeder woonde samen met d'r broer, daar gingen allerlei incestueuze verdachtmakingen naar uit, maar in ieder geval: het was een onecht - onecht, het woord alleen al! - kind. Dat kind groeit op, sociaal erg geïsoleerd. Had ongetwijfeld verlangens waarvan zij dacht dat die bij haar nooit vervuld zouden worden. Maar dan wordt Heiltje op een dag verliefd - alles is roze - en raakt zij in verwachting. Vervolgens laat die knul haar in de steek. Zij pleegt abortus. Het komt uit. Ze gaat de gevangenis in, want zo ging dat in die dagen. Heiltje is een moordenares. Maar zou het ook zo kunnen zijn dat het meisje - dat nooit had kunnen bedenken waar die jongen op uit was geweest - slechts van een ding bezeten is geweest: mijn kind mag nooit overkomen wat mij is overkomen? En dat ze daarom abortus gepleegd heeft? Als jullie dan zeggen: 'Moord' dan vraag ik nu nog eens: 'Wie was hier de moordenaar?' En dan is het ontroerend om te zien hoe die mensen wakker worden. 'Ja, als je het zo zegt Aantjes, dan zijn wij dat eigenlijk met z'n allen.' Is toch geweldig? Dat is wat mij aan dit volk bindt, dat ik dit appel bij hen kwijt kan. Jan de Koning zei over mij: 'Hij spreekt de tale Kanaüns, dat helpt.' Ja, dat is zo. Maar da's toch niet erg?”

Gij zult niet echtbreken.

“Ik ben gescheiden. Daar heb ik een groot schuldgevoel aan overgehouden. Niet over de echtscheiding zelf, maar over het tekortschieten in de verantwoordelijkheid voor elkaar. Daar is het vervreemdingsproces begonnen - jaren geleden. Dat we, niet eens zo lang geleden, juridisch uit elkaar zijn gegaan, is alleen maar goed. Misschien. Tegenover elkaar tekortschieten in een duurzame relatie: dat is de ware echtbreuk. Ik ben er niet in geslaagd mijn huwelijk overeind te houden en de hoofdoorzaak ligt toch bij de prioriteit die ik heb gelegd bij de politiek. Ik had me vaker moeten afvragen of de combinatie politiek-gezin bij deze relatie mogelijk was. Je moet, als je de politiek ingaat, goed weten wat je onderneemt; je moet er met elkaar achter kunnen staan. Als het gaat op de manier van: 'Nou ja, het is zijn lust en zijn leven, dus laat hem maar' of 'Mijn gedachten zijn, als het erop aankomt, toch eerder bij de politiek dan bij mijn gezin, tot in de vakanties toe' dan denk ik dat verhoudingen in het gezin scheef gaan lopen. Zo was dat bij mij. Ik denk dat mijn kinderen veel liever gezien hadden dat ik maar gewoon secretaris van de Aannemersbond gebleven was. Ze hebben het me wel gegund - ze zagen hoe ik met hart en ziel de politiek bedreef - en ze zullen ook een zekere trots gehad hebben, soms, maar hun criterium is toch geweest: hoe heeft het nu uitgewerkt op onze relatie? En dat moet voor hen verschrikkelijk geweest zijn.”

Gij zult niet stelen.

“Ook zo'n gebod waar je, als je het in absolute zin neemt, dingen mee kan doen die precies averechts komen te staan op wat er eigenlijk mee bedoeld is. Als je wilt weten of ik gestolen heb, moeten we eerst bespreken wat je onder stelen verstaat. Ik zal best wel eens iets weggepakt hebben waar ik een ander bij tekortgedaan heb. De vraag bij wie je steelt kan dus ook van belang zijn. De laatste maanden van de oorlog - toen ik gevangenzat in Assen - moest ik tankvallen graven. Onder begeleiding liepen wij een uur heen en een uur terug. Dan kwamen we langs bietenvelden. Als Assen een kamp was geweest waarin honger werd geleden en ik had er een paar bieten uitgetrokken dan zou je dat stelen kunnen noemen maar dan zou ik het alleszins gerechtvaardigd achten.”

Gij zult geen valse getuigenis spreken tegen uw naaste.

“Als het om mij gaat, wordt hierbij heel vaak een verband gelegd met de reden van mijn vertrek uit de politiek. Ik heb nooit ontkend dat ik me in '44 had aangemeld bij de Germaanse SS om uit Duitsland te ontkomen. Wat mij wel kan worden aangerekend is dat ik mij niet voldoende heb gerealiseerd dat ik een publieke functie bekleedde en dat de samenleving er moreel recht op had alles te weten. Je kunt je hoogstens afvragen: op welk moment had ik het moeten zeggen? Er zijn zoveel mensen die zeggen: 'Had nou maar eerder geroepen dat je er spijt van hebt, dan hadden we het je kunnen vergeven' - zo grootmoedig zijn ze dan - 'en dan was er weer van alles mogelijk geweest.' Nee. Er zijn veel dingen waar ik spijt van moet hebben, maar hier niet van. De gevolgen zijn groot geweest. Vooral als je kijkt naar de manier waarop het kabinet-Van Agt er mee is omgegaan. Van Agt heeft het Lou de Jong toegestaan om die persconferentie te houden. De Jong, op de loonlijst bij Pais (toenmalige minister van onderwijs, red.), mocht daar Het Nieuws brengen en de gevolgen zijn desastreus voor mij geweest. Toen Pais, nota bene de jood uit het gezelschap, erin betrokken werd, heeft hij meteen De Jong een spreekverbod opgelegd. Maar toen was het al te laat. Natuurlijk de gevolgen - en nu citeer ik Van Agt uit het Kamerdebat - 'voor hem en de zijnen zijn zeer onevenredig naar rato van wat hem eventueel toegerekend zou kunnen worden' - dat gekwijl! Maar ik kan niet ontkennen dat ik er zelf aanleiding toe gegeven heb. En laten anderen nu maar zien dat ze klaar komen met die 'onevenredige gevolgen' waar ze een aandeel in gehad hebben. Ik ken, sindsdien, een versterkte mate van zelfkritiek; ik ben wantrouwiger ten aanzien van mezelf. Ik waak ervoor dat ik geen blinde vlekken ontwikkel als het over mezelf gaat. Aan de andere kant heeft het mij ook een voortdurend zelfonderzoek opgeleverd: wat zijn nou de criteria waaraan mijn laatste gang, mijn laatste maanden, in die oorlog getoetst moeten worden? En ik kom tot geen andere conclusie dan deze: het symbool - dat van de Germaanse SS - mag niet het oordeel bepalen. Ik wens beoordeeld te worden op: waarom heb ik het gedaan, wat heb ik ermee gedaan en wie hebben er risico's mee gelopen? Nou, ik heb het uit geen andere motieven gedaan dan dat ik vond dat ik weg moest uit Duitsland en ik heb daar een weg voor gekozen die ook door anderen is bewandeld. Sommigen geloven mij, anderen doen dat niet. Daar heb ik verder toch geen invloed op. Vlak voordat dit allemaal gebeurde, heeft er een groot verhaal over mij in een of andere krant gestaan. Daar stond boven: De Meest Integere Politicus Van Het Binnenhof. Toen heeft Jan Terlaak me geïnterviewd voor televisie en hij zei: 'Heb je dat gezien? Da's toch mooi?' Ik zei: 'Dat is helemaal niet mooi, want het is niet zo' Wat zeggen de mensen dan? 'Nu kun je zien hoe integer die man is! Hij wil niet eens zeggen hoe integer hij is.' En als dan blijkt dat je het niet bent, roepen ze: 'Dat is nou de man die de meest integere politicus van het Binnenhof wordt genoemd.”'

Gij zult niet begeren uws naasten huis; gij zult niet begeren uws naasten vrouw, noch zijn dienstmaagd, noch zijn rund, noch zijn ezel, noch iets dat van uw naaste is.

“Bij gij zult niet begeren, denken we altijd aan iets wat je je wilt toe-eigenen, aan iets actiefs. Maar jaloezie is een vorm van passieve begeerte die vaak veel kwetsender is voor je naaste. Begeren is niet alleen maar het willen hebben wat een ander heeft, het is ook het willen vasthouden van iets wat je zelf hebt. Daar betrap ik mezelf wel eens op, in mijn relaties. Dan zeg ik: 'Denk erom! Als je iemand vertrouwt, dan vertrouw je haar of hem. Dat verwacht je ook van die ander.'

Ik heb in mijn politieke loopbaan eigenlijk maar een ding echt begeerd en dat was het fractievoorzitterschap van het CDA. Ik was voorstander van de totstandkoming van het CDA, maar ik had grote zorgen over de koers die de partij zou gaan varen. Ik heb de post begeerd waarin ik de meeste invloed kon hebben op die koers: niet in de regering, niet in het kabinet, maar in de Kamer, als fractievoorzitter. Ik deed het graag. Ik kon het ook goed, ja haha, wat wil je nou? De mooiste bevestiging daarvan kreeg ik van een zwerver, een paar dagen geleden, ergens in Utrecht. Hij had net staan plassen, ritste z'n gulp dicht, draaide zich om, pakte zijn twee plastic tassen op en keek mij onderzoekend aan. 'Heeft iemand u wel eens verteld dat u sprekend op Aantjes lijkt?' Toen ik zei: 'Nee, want dat ben ik zelf' greep hij mijn hand en zei: 'Echt waar? Dan wil ik u nu een hand geven want voor u heb ik altijd groot respect gehad.' Als ik mijn leven overzie, denk ik: zo best heb ik het niet gedaan, maar dan weet ik mij getroost door zo'n zwerver. Als na bijna twintig jaar dit soort mensen zich mij zo herinnert, is het misschien niet helemaal verkeerd geweest. Ik zal altijd denken: 'Zelfs mijn beste werken zijn met zonden bevlekt', maar ik heb een fundamenteel vertrouwen dat Gods barmhartigheid altijd nog groter is dan wij ons kunnen voorstellen. In de oude berijming van psalm 136 staat dat ook zo mooi: 'Want zijn gunst alom verspreid, zal bestaan in eeuwigheid.' Zesentwintig verzen en ieder vers eindigt ermee: 'Want zijn gunst alom verspreid, zal bestaan in eeuwigheid.' Daar hou ik het dan maar bij.''

mailIcon print |