*

 
dossier

Archief

Met The Black Crowes in de teletijdmachine

STAN RIJVEN − 17/02/97, 00:00

AMSTERDAM - Stel, je brengt als ex-hippie na 25 jaar weer een bezoek aan Amsterdam. Gevoed door nostalgische mijmeringen maak je 's avonds een wandeling door het Vondelpark - je toenmalige slaapplaats - om vervolgens het nabij gelegen Paradiso aan te doen.

Een zinsbegoochelend déja-vu-gevoel overweldigt je bij het binnenstappen van de poptempel. In de hal kondigen Jugendstil-affiches een 'Three snakes & one charm tour' aan. In de zaal staat op het met Perzische tapijtjes bezaaide en door fluwelen gordijntjes omlijste podium een statisch spelende rockgroep. De muzikanten dragen het haar ver over de schouders, sommigen hebben ook een baard en eentje staat zelfs op blote voeten. Hooguit het gekraak van plastic bekers en de aanblik van het kortgekapte publiek verstoort de illusie: we zijn terug in de jaren zeventig!

Afgelopen zaterdag en zondag bedienden The Black Crowes in Paradiso de teletijdmachine. De seventies-look van de bandleden betekende slechts de opmaat voor een ouderwets retro-rockconcert. Het Amerikaanse sextet timmert al vanaf 1985 aan de weg met een ongegeneerde reprise van de gouden rockjaren. De erfenis van The Free, The Stones, The Faces en The Band keerde terug in lang uitgesponnen sessies. Tot voor kort een succesformule, die dankzij de samenwerking met het Def American-label voor miljoenen aan platenverkoop opleverde. The Black Crowes stonden er zelfs mee op Pinkpop (1990 en 1993), maar moeten nu bekennen, dat de aanhang voor hun hang naar het verleden slinkende is. Ahoy uitverkopen zat er niet meer in, tweemaal Paradiso nog net. Want de laatste cd 'Three snakes & one charm' verkoopt als die van een gemiddelde Nederlandse band.

Los van het uiterlijk vertoon waren The Black Crowes wel degelijk in staat om het mysterie van weleer nieuw leven in te blazen. Zanger Chris Robinson bezat soul met zijn verschroeiende stembanden die het geluid van Otis Redding, Frankie Miller en Rod Stewart in herinnering riepen. De twee begaafde sologitaristen konden zich meten met die van The Allman Brothers of Wishbone Ash; de toetsenman evenaarde Stevie Winwood van Traffic. Tegelijkertijd legde dit onvermijdelijke assocatie-spel ook de zwakte van The Black Crowes bloot. Ze zijn niet in staat iets eigens toe te voegen aan de traditie waarin ze zich willen voegen. Relativering zou dan op zijn plaats moeten zijn, maar daarvan moest de band niets hebben. De groepsleden leken te zweven op de zelf meegebrachte oosterse tapijtjes, niet in staat met de fans te communiceren. Maar ook dat hoort bij de inboedel van de begin-jaren-zeventig, zo moet de argeloze Mokum-toerist hebben gedacht.

mailIcon print |