*

 
dossier

Archief

Kiezer Hongarije beoordeelt poesta-model

WERA DE LANGE − 09/05/98, 00:00

In de Hongaarse economie heeft zich de afgelopen drie jaar een bijna-wonder voltrokken, hoopgevend voor geschoolde en verstedelijkte Hongaren, angstwekkend voor de ouderen, de ongeschoolden en de mensen op het platteland. Nergens in Oost-Europa voltrok de post-communistische revolutie in de economie zich zo snel en op zoveel fronten tegelijk. En dat nog wel door toedoen van de communisten.

Morgen maken de Hongaren de balans op, in de eerste ronde van de parlementsverkiezingen. Was het de pijn waard, of moet het toch anders, socialer, volkser? Volgens de opiniepeilers wordt het een nek-aan-nek-race tussen 'nee'- en 'ja'-zeggers.

Die andere revolutie, de politieke afrekening met de communistische één-partijstaat, had zich in Hongarije juist zo 'sloom', zo 'saai' voltrokken: Niks ronde tafels, niks ondergrondse vakbonden, keiharde onderhandelingen of massa-betogingen, het gevecht en het roerende spektakel gingen aan Hongarije voorbij. Het aantreden van Gorbatsjov was genoeg.

De Hongaarse communistische partij bleek genoeg bekwame bestuurders en aspirant-democraten in zijn gelederen te tellen om het springtij van 1989 vóór te zijn. Hongarije kreeg de eerste vrije verkiezingen in 1990 van de communisten cadeau.

Een club van enigzins zweverige centrum-nationalisten, het Hongaarse Democratische Forum (HDF), won die eerste vrije verkiezingen. Maar van rationeel bestuur en economische hervormingen bleek het HDF weinig verstand te hebben en de toch al klagerige Hongaren stortten zich collectief in een diepe depressie.

De daaropvolgende verkiezingen, in 1994, leverden een coalitie op tussen de voormalige communisten van de Hongaarse Socialistische Partij (HSP) en de kleine partij van de Vrije Democraten, een bundeling van hoofdstedelijke, liberale intellectuelen, voortgekomen uit anti-communistische dissidentengroepen. Een spannend monsterverbond, dat zich met ups en downs de afgelopen jaren bewezen heeft.

De ex-communisten (HSP) beloofden de kiezer in 1994 voorzichtige, behoedzame hervormingen in de economie, zo pijnloos mogelijk. Maar westerse experts kwamen na de verkiezingen naar Boedapest om te waarschuwen: Als er niet heel snel radicale maatregelen zouden worden getroffen om de buitenlandse schuld en het overheidstekort te verminderen, zou Hongarije à la Mexico in een financieel-monetaire maalstroom naar beneden getrokken worden. Van toetreding tot de EU en de Navo zou dan voorlopig niks meer komen.

De socialistisch-liberale coalitie van premier Gyula Horn wikte en woog, en besloot uiteindelijk alle verkiezingsbeloften overboord te gooien. Subsidies aan bedrijven werden geschrapt, er werd grootschalig bezuinigd bij de overheid zelf, tienduizenden ambtenaren kwamen op straat te staan, de belastingen gingen omhoog. In een jaar tijd zag 'de gemiddelde Hongaar' zijn besteedbare inkomen met een kwart krimpen.

Tegelijkertijd werd het ene na het andere staatsbedrijf ter verkoop aangeboden aan de beste bieder. Anders dan in Tsjechië, Polen of Rusland koos de socialistisch-liberale regering het simpelste, snelste en meest kapitalistische recept voor privatisering. Binnenkort is tachtig procent van de Hongaarse bedrijven in privé-handen, voor een niet gering deel in buitenlandse privé-handen.

De schok kwam heel hard aan. Maar de afgelopen drie jaar hebben 'spectaculaire' resultaten laten zien, zoals doorgaans ingetogen topklerken van de OESO (organisatie van geïndustrialiseerde landen) het in een rapport formuleren.

Veertig procent van alle westerse investeringen in Centraal- en Oost-Europa, gaat naar Hongarije. De export groeide gigantisch, de werkloosheid is tot tien procent gedaald. De inflatie was in 1997 tot achttien procent gedaald. Met een rotvaart wordt er geïnvesteerd in infrastructuur, machinepark, automatisering en nieuwe bedrijfsgebouwen. De arbeidsproductiviteit stijgt zo hard dat de lonen in 1997 en 1998 flink verhoogd konden worden zonder dat er een loon-prijs-spiraal op gang kwam. De poesta-variant van de shock-therapie heeft gewerkt, maar niet voor alle 10.2 miljoen inwoners van Hongarije. Niet voor de 600 000 tot 800 000 ongeschoolde zigeneuners die in overgrote meerderheid nog steeds zonder werk zitten. Niet voor grote delen van het platteland, dat siddert voor de gevolgen van de toetreding tot de EG. Niet voor de gepensioneerden, de onderwijzers en de artsen.

De socialisten profiteren van het optimisme bij de mensen die ervan profiteren. Zij kunnen op ruim dertig procent van de stemmen rekenen. Hun voornaamste tegenspeler, de rechts-liberale FIDESZ (ooit een anti-communistische studentenpartij), lijkt op een iets kleiner percentage van de stemmen af te stevenen met een wat simplistisch sociaal-liberaal program, gemengd met veel law and order en stevig wat anti-communistisch ressentiment.

De kleine coalitiegenoot van de socialisten (de liberale Vrije Democraten) scoort in peilingen 7 tot 10 procent. De potentiële regeringspartner van FIDESZ, de rechts-populistische Partij van Kleine Boeren, doet het in de peilingen beter: 12 tot 18 procent. Stalinisten en extreem-rechts zweven rond de kiesdrempel van 5 procent. Hongarije staat aan de vooravond van een spannende, maar vreemde wedstrijd: tussen neo-liberale communisten en anti-liberale liberaal-populisten.

mailIcon print |