AMSTERDAM - Verliezers roepen graag moord en brand over wangedrag van winnaars. Ze zoeken medeleven van de wereld om te voorkomen dat ze hetzelfde lot ondergaan als ze voor hun vijanden in petto hadden.
Het kan zijn dat er daarom nu uit de Iraakse stad Roemadi berichten komen over gebruik van chemische wapens door de strijdkrachten van president Saddam Hoessein tegen de bedoeïenenstam van de Doelaimi's. Misschien is het inderdaad pure verliezerspropaganda, bij een ander land zou het woord 'waarschijnlijk' zelfs op zijn plaats zijn. Maar het Iraakse regime verdient het nadeel van de twijfel. Het heeft een ellenlang strafblad, met als dieptepunt het chemische bombardement op het Koerdische stadje Halabdja, bij Iran. Daarbij kwamen in 1988 zo'n vijfduizend mensen om.
Vorige week woensdag kwamen er uit de Jordaanse hoofdstad Amman berichten dat een legereenheid onder aanvoering van generaal Toerki Ismail Al-Doelaimi een aanval had uitgevoerd bij Aboe Goeraib, 20 kilometer ten westen van de hoofdstad Bagdad. De opstandelingen zouden hebben geprobeerd een radiozender te bezetten, en 850 leden van hun stam te bevrijden uit de Aboe Goeraibgevangenis. Ze waren daar beland na een opstand in de regio Anbar, 100 kilometer ten westen van Bagdad. Die opstand brak vorige maand uit nadat de autoriteiten het lijk van een geëxecuteerde luchtmachtgeneraal hadden teruggestuurd, een broer van de leider van de rebellie van woensdag. Hij was in november gearresteerd, op verdenking van een complot tegen Saddam.
De vlam sloeg in de pan toen nabestaanden sporen van foltering ontdekten op het lijk. Er zouden honden aan hebben gevreten. Bij de ongeregeldheden die volgden vielen vele tientallen doden, onder de Doelaimi's maar ook onder functionarissen van Saddams Baathpartij en de strijdkrachten.
Die strijdkrachten vormen een ingewikkeld geheel. Behalve het leger zijn er onafhankelijke keurkorpsen. Twee zonen van Saddam hebben daarin sleutelposities. Koesai leidt de revolutionaire gardes, berucht uit de periode na Iraks capitulatie in de oorlog om Koeweit, toen ze massale moordpartijen aanrichten onder sji'itische opstandelingen in het zuiden van Irak, en hetzelfde wilden doen met de Koerden in het noorden. Een geallieerde interventie voorkwam dat laatste.
Een andere zoon, Oedai, voert een nieuwe strijdmacht aan, gevormd in december, de Fedaien Saddam. Oedai, die eenmaal een kok-souteneur van Saddam doodsloeg, kijkt als tijdverdrijf naar videofilms van folteringen. Dat althans zegt een uitgeweken Koerd, die was uitverkoren om als dubbelganger van Oedai op te treden bij openbare manifestaties, zodat hij als schietschijf kon fungeren voor mogelijke moordenaars.
Slagveld
Het duo Oedai/Koesai werkt samen met een neef van Saddam, Ali Hassan Al-Madjid, bijgenaamd 'chemische Ali' vanwege zijn strijdwijze tegen Koerden en sji'ieten. Het drietal mag er nu op los slaan tegen de Doelami's. Wat er vorige week woensdag precies is gebeurd blijft onduidelijk. De berichten kwamen uit de Jordaanse hoofdstad Amman, van reizigers uit Irak. Maar een correspondent van het Britse persbureau Reuter die een dag later over het vermeende slagveld wandelde, trof er niets aan.
Daarentegen bleven er in de dagen daarna berichten binnenkomen over onderdrukking in het woongebied van de Doelaimi's, dat zich uitstrekt tot Saoedi-Arabië, Jordanië en Syrië. Vluchtelingen meldden dat tweehonderd soldaten, die aan de rebellie van woensdag hadden meegedaan, zijn terechtgesteld. Helikopters zouden de grenzen bewaken om vluchtelingen te beletten de wijk te nemen.
Een voorman van de Doelaimi's, Nadjieb Al-Doelaimi, week uit naar Syrië. Volgens hem hebben strijdkrachten van het regime de stad Roemadi omsingeld. Water en elektriciteit zouden zijn afgesloten, bij temperaturen die oplopen tot 40 graden celcius. Bij de opstanden vorige maand zouden honderd leden van de Doelaimi-stam zijn doodgeschoten, maar de autoriteiten zouden hun begrafenis beletten. De hele nacht klinken er schoten, en eenheden van de Fedaien Saddam zouden huizen in puin schieten. Zijn zwaarste beschuldiging luidt dat de strijdkrachten chemisch materiaal uitsproeien over boomgaarden, waar Doelaimi-strijders zich verstoppen.
De Doelaimi's zijn geen heiligen. Door dik en dun hebben ze Saddam gesteund. Net als de dictator behoren ze tot de minderheid van de soennitische moslims. De soennieten vormen maar 20 procent van de Iraakse bevolking, maar van oudsher besturen zij het land. Dat was al zo toen Irak nog bij het Ottomaanse Rijk behoorde, van de Turkse sultans. Toentertijd waren de Koerden min of meer onafhankelijk, terwijl de Turken de sji'ieten verdachten van sympathie voor Iran, ook sji'itisch.
Toen de sji'ieten en Koerden in 1991 in opstand kwamen deden de soennitische Arabieren nauwelijks mee. Ze hadden weinig te verwachten van een opstand die de sji'ieten (55 procent van de bevolking) aan de macht zou brengen en misschien van Irak een Iraanse vazalstaat zou maken. Ook met de Koerden (soennitisch) voelden ze weinig verwantschap, want die vochten voor een eigen staat.
De soennieten hadden geluk dat ook de Amerikanen weinig heil verwachtten van sji'ieten en Koerden. Was dat wel zo geweest dan hadden ze in 1991 aan de opstanden hun steun gegeven. De Amerikaanse voorkeur gaat uit naar een soennitisch alternatief voor Saddam. Ook de VS willen niet dat Irak een vazal wordt van Iran.
Aanvankelijk hoefde Saddam weinig te vrezen van zijn soennitische geloofsgenoten. Op den duur veranderde dat. Twee dingen speelden een rol. Het internationale embargo beroofde Irak van zijn belangrijkste exportprodukt, olie. Irak kon het nog wel even uitzingen, bijvoorbeeld door de verkoop van goud. Het land schijnt kort na de nederlaag in 1991 honderd ton goud te hebben verkocht. Dat kan zo'n twee miljard gulden hebben opgeleverd. Wat er later met de rest van de goudvoorraad is gebeurd, naar schatting een kleine 300 ton, is onbekend. Lekken in het embargo gaven adem, Saddam en de zijnen beheersten bovendien de zwarte markt, waar Irakezen uit pure nood sieraden voor een habbekrats verkochten, die in het buitenland voor een veelvoud van de hand gingen.
Inventiviteit genoeg, maar toch kon Saddam steeds minder mensen laten delen in de slinkende opbrengst. Daardoor nam ook binnen de soennitische gemeenschap de onvrede toe, onder clans waarvoor de geldkraan was dichtgedraaid. De tweede oorzaak van onderlinge wrijving was het onuitgesproken aanbod van de Amerikanen: de soenniet die ons op een zilveren schaal het hoofd van Saddam bezorgt mag Irak regeren en krijgt kwijtschelding van het embargo.
De verschillende Doelaimi-clans tellen een miljoen mensen. Ze zijn de koningen van de smokkel en daarom ook kenners van de gaten in het embargo. Veel Doelaimi's dienen in het leger. Ze proberen nu een verbond te sluiten met andere stammen. Vroeger zou zo'n ontwikkeling fataal zijn geweest voor het bewind maar de moderne tijd heeft de mogelijkheden om oproerige woestijnbewoners eronder te houden verrijkt.
Het zal daarom Saddam wel lukken om ook deze rebellie in bloed te smoren, zoals hij eerder deed met de sji'ieten. Pas als de bevolking van Bagdad de straat op gaat kan het kritiek worden. Saddam is niet onkwetsbaar. Toen hij de oorlog om Koeweit had verloren dachten velen dat het snel met Saddam zou zijn gebeurd. Toen de dictator volhield ontstond er een gevoel dat er nooit een einde zou komen aan zijn heerschappij. Iraakse opposanten delen dat gevoel niet.
Zij denken al vooruit, aan rampen die dreigen als Saddam echt in gevaar komt, zoals een burgeroorlog die ook de rest van de wereld kan treffen. Irak ontkent niet langer dat het biologische wapens heeft. Het wil aan de VN daarover zelfs wel informatie geven, zei het gisteren. Op voorwaarde dat de VN en het internationale atoomagentschap hun speurtocht naar atoombommen, chemische wapens en raketten staken. De VN hebben al wel een idee hoeveel biologische wapens Irak heeft: genoeg om de hele wereld een aantal keren te doden.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.