AMSTERDAM - Het Stedelijk Museum presenteerde afgelopen vrijdag zijn nieuwbouwplannen. De Portugees Alvaro Siza heeft een masterplan ontworpen dat in twee stukken is gehakt. Een eerste fase waarin een kubusvormig paviljoen en een platte schijf achter het huidige gebouw worden gezet en aanpassingen in de oudbouw worden gedaan (35 miljoen gulden) en een tweede fase waarbij de huidige Nieuwe Vleugel wordt vervangen door een nieuw robuuster blok en verdere aanpassingen in de oudbouw worden gepleegd (25 miljoen gulden). Voor de eerste fase is geld, voor de tweede nog niet, waardoor deze vooral speculatief is.
Soberheid kenmerkt de uitbreidingsplannen. Siza beperkt zich tot zuivere geometrische vormen, die alleen genuanceerd worden door een nis-vormige inkeping in de achterzijde van de kubus en door de ritmering van de raampartijen. De zuiverheid van de beeldtaal wordt versterkt door het witte Carrara-marmer en de witte baksteen die Siza op dit moment als gevelbekleding kiest. Het gaat echter nog pas om een voorlopig ontwerp voor de eerste fase. In juli hoopt het museum het definitieve ontwerp te presenteren, inclusief de invulling van de details.
Siza's ontwerp is een ingetogen statement in een omgeving die barst van de uitgesproken architectuur: de expressieve neo-renaissancistische ornamentiek van het Stedelijk Museum zelf, het monumentale neo-classicisme van het Concertgebouw, de pregnante halfronde vorm van de nieuwbouw van het Van Goghmuseum en de al even nadrukkelijke schuin oplopende driehoek van de supermarkt, die direct achter de tuin van het Stedelijk op het Museumplein zal verrijzen.
Binnen dit visuele lawaai opereren de paviljoens van Siza als fluisterende stemmen. Eén van de computeranimaties toont de witte blokken gezien over het dak van de supermarkt (in de wandelgangen al het 'ezelsoor' genoemd). Als serene schone slaapsters schurken ze tegen de geprononceerde rode baksteen van het hoofdgebouw aan. Bescheiden en haast contemplatief. Alleen hun witte kleur maakt ze opvallend, maar van een stedenbouwkundig gebaar naar de omgeving is nauwelijks sprake.
Siza - die musea ontwierp in Santiago de Compostela en Porto - is een meester in het creëren van messcherp gecomponeerde architectuur, waarin rust, helderheid en ruimtelijkheid triomferen. Ook in de uitbouw van het Stedelijk toont hij die kwaliteit. Binnen de opgave heeft hij voor een degelijke en adequate oplossing gezorgd. Toch zijn er twijfels. Niet over de architectonische inspanning, maar over de programmatische opzet van de nieuwbouw - en daar staat Siza in principe buiten.
Toen Wim Beeren in 1992 als directeur de eerste aanzet gaf voor een nieuw te realiseren uitbouw, ging hij in zijn 'gedroomde' programma uit van een ongeveer evengroot volume als het bestaande gebouw waarin de vaste collectie ondergebracht zou worden. Met het aantreden van Fuchs ging een andere wind waaien. De kersverse directeur koos - mede door het beperkte budget - voor een aantal paviljoens als uitwaaiers van de oudbouw in plaats van een groot stedelijk blok. Anders dan Beeren, wil hij niet de nieuwbouw gebruiken voor de vaste collectie, maar de volledige opgeschoonde oudbouw. De tijdelijke exposities verhuist hij naar de nieuw gecreëerde tentoonstellingsruimte in de uitbouw.
Van Fuchs is bekend dat hij niet van grote tentoonstellingen houdt, dus zijn ruimtewensen zijn wat dit betreft bescheiden. Voor losse exposities is in het plan daarom slechts de bovenverdieping van de 'Siza-kubus' beschikbaar (naast de huidige Nieuwe Vleugel). De rest van het vier verdiepingen tellende blok is gereserveerd voor kantoren en utilitaire ruimtes. Het nieuwe tien zalen tellende circuit komt als een lob aan het bestaande parcours in de oudbouw te liggen. Uiteindelijk is het een uitbreiding met een klein kwart van het huidige expositieoppervlak.
De nieuwbouw-operatie lijkt vooral een inhaalslag op het gebied van kantoorruimte en publieke ruimtes. Die inspanning kost zoveel geld en ruimte, dat voor een forse uitbreiding van de tentoonstellingscapaciteit weinig mogelijkheden meer zijn. Toch is het jammer dat deze unieke bouwkans niet wordt aangegrepen om ook op dit terrein een forse stap te zetten. De nieuwbouw heeft mede tot doel de eigen collectie een vaste plek te geven. Onder Fuchs is dit geen probleem, die reserveert daarvoor de twee verdiepingen van de oudbouw (vier vijfde van het dan beschikbare oppervlak), maar wanneer toekomstige directeuren wel grote retrospectieven of thematische tentoonstellingen willen maken, moeten ze toch weer hun toevlucht zoeken tot het hoofdgebouw. Waardoor de eigen collectie opnieuw in de depots verdwijnt.
De Gemeente Amsterdam lijkt voor het zeer belangrijke bouwproject van het Stedelijk beperkt geld over te hebben. Een bedrag van 35 miljoen is niet veel voor het klaarstomen van toch het nationaal museum voor moderne kunst voor de volgende eeuw. En het gevoel knaagt dat voor het geld dát ze ervoor overhebben meer gerealiseerd had kunnen worden. In Eindhoven slaagt het Van Abbemuseum er in om voor 'slechts' 50 miljoen gulden de totaal beschikbare ruimte te verdrievoudigen tot 9 700 m2. Het Stedelijk daarentegen komt voor meer geld niet verder dan een uitbreiding van 14 000 m2 naar 16 500 m2. Het is te hopen dat volgende generaties niet op deze bouwinspanning terug zullen kijken als een gemiste kans.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.