*

 
dossier

Archief

'Ik heb mijn innerlijk blootgelegd zoals U het zelf hebt gezien'

HANS DIJKHUIS − 07/02/97, 00:00

Jean-Jacques Rousseau: Bekentenissen. Vertaald en bezorgd door Leo van Maris. De Arbeiderspers, Amsterdam; geb. 770 blz. - ¿ 99.

Jaren later is hij aan dit boek begonnen, en hij heeft gelijk gekregen. 'Les confessions' is een mijlpaal in de autobiografische literatuur, en daarom een grote aanwinst voor de reeks Privé-Domein, waarin het in een voortreffelijke (en voor het eerst integrale) vertaling is verschenen.

Rousseau deed zichzelf tekort toen hij opmerkte dat de feitelijke voorvallen in zijn leven tot dan toe niet bijster interessant waren. Weliswaar lag zijn naam toen nog niet op ieders lippen. Zijn roman 'La Nouvelle Heloise' zou hem kort daarna grote roem brengen. Vervolgens dwong de publicatie van 'Emile' en 'Le contrat social' (in 1762) hem tot een leven in ballingschap, wegens de staatsgevaarlijke denkbeelden die de Franse overheid in beide boeken aantrof.

Maar ook de periode daarvoor bood aan verwikkelingen al ruimschoots stof voor zijn memoires, en neemt ook veruit het grootste deel van de 'Confessions' in beslag. Zijn kinderjaren in Genève, zijn omzwervingen in het aangrenzende Savoye-Piemonte, waar hij zich, 'als prijs voor levensonderhoud', tot het rooms-katholicisme liet bekeren, zijn hardnekkige lichaamskwalen, zijn grote liefdes en talloze vriendschappen, zijn werkzaamheden als graveur, tuinier, muziekleraar, componist en ambassade-secretaris in Venetië - dit alles wordt in een prachtige stijl beschreven, soms humoristisch, soms aangrijpend, soms pathetisch, en vol fraaie anekdotes.

Als Rousseau alleen maar de gebeurtenissen in zijn leven uit de doeken had gedaan, was het boek al de moeite waard geweest. Maar het is nog interessanter geworden door de openhartigheid waarmee hij voor de lezer zijn ziel tracht bloot te leggen. De titel van zijn boek is veelzeggend: het was niet zijn bedoeling zijn memoires te schrijven maar bekentenissen, confessions, af te leggen van zijn 'zonden'. Zijn grote voorganger in dat genre was Augustinus, wiens 'Confessiones' in Nederlandse vertalingen meestal de titel 'Belijdenissen' krijgt, omdat bekentenis van zonden en geloofsbelijdenis er samengaan.

Van het laatste is bij Rousseau geen sprake, al wendt hij zich op de eerste bladzijde, vooruitlopend op het laatste Oordeel, tot het Eeuwig Wezen: “Ik heb mijn innerlijk blootgelegd zoals U het zelf hebt gezien.” Terwijl Augustinus in zijn hele boek God blijft toespreken, richt Rousseau zich tot het 'publiek', dat in zekere zin de rol van goddelijke rechter krijgt opgedrongen. Al werd hij naar eigen zeggen ooit gekweld door de angst voor eeuwige verdoemenis, in 'Bekentenissen' is hij toch vooral beducht om zijn aardse nagedachtenis. Toen hij de speelbal werd van de publieke opinie kwam ook zijn morele integriteit in het geding. Aan zijn lezers vraagt hij over hem te oordelen: is hij, alles bij elkaar genomen, een goed of een slecht mens geweest?

Dat oordeel kon pas worden geveld op grond van gegevens die hij aanreikte, steeds waarheid en volledigheid betrachtend. Hij meldde niet alleen wat tegen hem pleit maar ook wat voor hem pleit. Zijn bekentenissen dienden dus niet apart te worden beoordeeld, maar in het licht van zijn hele levensloop. Het boek mocht dan ook pas na zijn dood worden gepubliceerd.

Rousseau wilde zijn ziel 'doorzichtig maken', en deed dat met groot psychologisch inzicht. Hij moest 'het publiek voortdurend onder ogen zijn', want er mocht niets duister blijven, om elke schijn te vermijden dat hij iets te verbergen had.

Je zou dit een exhibitionisme van de ziel kunnen noemen. Die beeldspraak dringt zich gemakkelijk op, want Rousseau had als jonge man de gewoonte zich in donkere lanen en verborgen hoekjes aan vrouwen te tonen 'in de toestand waarin ik bij ze had willen zijn'. Die neiging herleidde hij zelf tot een seksuele voorkeur die we nu masochistisch zouden noemen. Als achtjarig jongetje kreeg hij van een gouvernante een pak op zijn billen en in de pijn en de schaamte ervoer hij een 'bijmengsel van zinnelijkheid' waardoor 'de straf zijn doel voorbijschoot'. Hij haast zich op te merken dat hij niettemin altijd zijn fatsoen heeft weten te bewaren, want geen van de vrouwen met wie hij in bed belandde heeft hij ooit om deze bijzondere gunst durven vragen. Dit is, schreef Rousseau, de eerste en pijnlijkste van zijn bekentenissen. Immers, “niet het misdadige is het moeilijkste uit te spreken, maar het belachelijke en het beschamende”.

Een echte misdaad blijkt hij, naar zijn eigen oordeel, eigenlijk maar een keer te hebben begaan, namelijk toen hij, in het Turijnse huis waar hij als lakei werkzaam was, een kokkin beschuldigde van een diefstal die hij zelf had gepleegd. Deze daad uit zijn jeugd bleef zo zwaar op zijn geweten drukken dat het verlangen deze last te verlichten een belangrijke beweegreden was om zijn 'Bekentenissen' te schrijven. Zijn verdiende straf bestond in al het ongeluk dat hem in het latere leven trof: “Marion had vele wrekers.”

Zijn enige misdaad werd volgens Rousseau uitgewist “door veertig jaar rechtschapenheid en deugdzaamheid onder moeilijke omstandigheden”. Het is lang niet de enige keer dat hij, als zijn eigen advocaat, de uitspraak van zijn rechters probeerde te beïnvloeden. Aan het slot is er zelfs sprake van regelrechte intimidatie: wie hem, na alles te hebben onderzocht, “een slecht mens kan vinden, is zelf niet waard verder te leven”.

Vaak voert hij verzachtende omstandigheden aan, zoals zijn “ongelooflijke onnozelheid, waardoor ik zo vaak slecht en schuldig leek, terwijl ik alleen maar dwaas en verlegen was”. Zo krijgt het boek ook het karakter van een zelfrechtvaardiging, al verzekert Rousseau dat hij daar niet op uit is. Maar het is wel duidelijk dat zijn masochisme hier zijn grenzen heeft: hij vertrouwt erop dat geen van zijn daden de blijvende straf van een slechte reputatie bij het nageslacht rechtvaardigt, laat staan de eeuwige verdoemenis.

Dat geldt ook voor het vergrijp dat hem al tijdens zijn leven volop werd aangewreven: het te vondeling leggen van de vijf kinderen die hij verwekte bij zijn minnares Thérèse Levasseur, met wie hij pas later zou trouwen. Ondanks zijn ongetwijfeld oprechte wroeging hierover tracht Rousseau - toch een van de grote pioniers van de opvoedkunde - zich er met tal van argumenten voor te verontschuldigen. Zo wilde hij Thérèse de schande van het ongehuwd-moederschap besparen, hij wilde zijn kinderen vrijwaren de verdorvenheid van het aristocratische milieu waarin hij verkeerde, door ze een staatsopvoeding te laten geven. Hij wijst er ook op dat deze oplossing voor ongewenste zwangerschappen in die kringen lang niet ongebruikelijk was.

In dit verband wordt een eerdere passage interessant, waarin staat dat hij een goed christen, burger en huisvader zou zijn geworden, als hij het vak van graveur, waarvoor hij als jongen werd opgeleid, ook werkelijk had uitgeoefend. “Ik zou misschien dat beroep alle eer hebben aangedaan en na een onbekend en eenvoudig, maar gelijkmatig en aangenaam leven zou ik vreedzaam te midden der mijnen zijn gestorven.”

Naar de rust van een dergelijk bestaan is Rousseau altijd blijven verlangen, maar met zijn grote zelfkennis moet hij als eerste hebben begrepen dat hij nooit toe in staat was geweest. Zijn weerzin tegen geregelde arbeid, zijn avontuurlijke inborst, zijn intellectuele en artistieke gaven en zijn ambitie brachten hem tot een heel wat rustelozer bestaan, onder de hoede van de aristocratische klasse waarin hij zich evenmin echt thuis kon voelen, door zijn afkomst en door afkeer van gekunstelde omgangsvormen en holle conversatie. Een bestaan ook waarin de verleidingen van het kwaad veel groter waren, zodat zijn morele integriteit er pas werkelijk op de proef werd gesteld.

Des te groter de voldaanheid over zijn eigen eindoordeel dat hij niet verzuimt zijn lezers op te dringen, namelijk dat “ik alles bij elkaar genomen de beste mens ben die er rondloopt”.

mailIcon print |