*

 
dossier

Archief

'Ga maar op straat slapen, zei het Leger des Heils'

Door: redactie − 11/01/97, 00:00

“Noem mij maar gabber.”

“Edwin, is dat goed?”

“Edwin is goed.”

Drie jongens zitten bij elkaar in de keuken van het Poortgebouw in Amsterdam, nachtopvang voor zwerfjongeren van 16 tot 23 jaar. Marlon, Gabber en Edwin. “Tsja, hoe komen wij de winter door”, zegt Edwin. “Drugs.” Meestal hebben de drie 's nachts wel een adresje om te slapen, maar als ze dat niet hebben, zijn met deze kou de drugs inderdaad de oplossing. “Speed”, zegt Edwin, “dan blijf je lopen. Je kunt niet op straat gaan slapen, dan vries je dood. Waar gaan we heen? Naar de Wallen. Hoertjes kijken, een beetje praten met die meisjes, naar coffeeshops, even koffiedrinken op het politiebureau, ouwehoeren met de smerissen.” Edwin heeft een rood bebloed oog en een gebarsten onderlip, ruzie gehad met een uitsmijter. Hij vervolgt: “'s Ochtends gaan we naar Streetcorner, dat is open tot twee uur. Daar kun je roken, je kleren laten wassen, een broodje eten. Verder hangen we overdag rond in de stad of op het Centraal Station. En verder ben je op zoek naar een slaapplek.”

Alledrie verkiezen ze het Poortgebouw boven de andere nachtelijke opvangcentra. Gabber: “Hier zitten alleen maar jongeren, dat is relaxed. Op die andere plekken zit je tussen de spuiters met een baard van zes jaar, niet gewassen, blote voeten met blaren, die zijn 's nachts hartstikke ziek, dat is gewoon vernederend.” Maar in het Poortgebouw mogen jongeren maar vijf dagen per maand verblijven. De openingstijden zijn in deze strenge wintertijd wel wat aangepast. In plaats van om vijf uur 's middags gaan nu om half vijf de deuren open, 's morgens moeten de jongeren om half tien weg zijn, in plaats van om negen uur. Toch is er wel eens een mouw aan te passen, aan die vijf dagen, volgens de drie. Als je een maatschappelijk werker naar het Poortgebouw laat bellen, is het ineens wel mogelijk om langer te blijven, weet Edwin. “Dat is toch klote geregeld. Wij moeten toch onderdak hebben, niet de maatschappelijk werker?” Marlon, Gabber en Edwin zijn bepaald niet te spreken over de opvangmogelijkheden in Nederland. Marlon: “Voor mij is het niet zo erg, weet je, ik ben niet altijd op straat. Ik ga soms ook terug naar m'n familie. Voor mij is het ook een ervaring.” Maar hij wordt boos als hij over de behandeling van zwerfjongeren begint. “Natuurlijk zijn er huizen voor jongeren. Geld is er genoeg. Het is de mentaliteit waardoor het zo'n klotesysteem is.” Ook Edwin heeft slechte ervaringen. “Dan bel ik 's avonds naar het Leger des Heils, dan zeggen ze gewoon: er is geen plaats. Ga maar op straat slapen.” Marlon: “Natuurlijk is er plaats. Hij zou al blij zijn met een stoel ergens in een hoek.”

“Ik heb gabbers die alles voor me doen”, zegt Gabber. “Nu ook weer is er een goser die een huis voor me aan het zoeken is.” Gabber heeft al zijn bezittingen in één tas. Handdoeken, een extra paar schoenen, kleren, toiletartikelen en een walkman. “Ja, een stereotoren in m'n tas zal niet lukken.” Er wordt veel gestolen in de opvangcentra, vertelt hij. “Een goser had net strakke Nikes gekocht. Volgende dag werd hij wakker, waren ze weg. Hij moest op z'n blote voeten naar het Leger des Heils om schoenen te halen, ik zweer het je.”

mailIcon print |