*

 
dossier

Archief

'MET TE HOGE VERWACHTINGEN VERPRUTS JE EEN BOEL' 'Eerst leren scheuren dan knippen' 'Voorlezen moet elke dag' KLEUTERJUF IN DE KLAS

ARLETTE DWARKASING − 21/01/98, 00:00

“Hoezo leerkracht gespecialiseerd in het jonge kind?”, zegt Irma Zirkzee. “Mij mag je kleuterleidster noemen. Ik vind het nog steeds een eer om dat te zijn. Het is ook een heel ander beroep.”

“De kleuterleidster gaat uit van het kind. Dat betekende vroeger dat je zorgde voor een gezellige omgeving. Met voldoende prikkels en oefenterreinen voor het kind om zich in eigen tempo spelenderwijs te ontwikkelen. Spelen is zo waardevol. Als je goed materiaal aanbiedt en erbij gaat zitten, leren kinderen een boel.”

“Het ging vroeger vooral om de emotionele ontwikkeling en om het bijbrengen van sociale vaardigheden. De leerkracht basisonderwijs van nu werkt vanuit een methode en heeft als voornaamste doel het overdragen van kennis. Hij is gericht op de verstandelijke ontwikkeling van kinderen.”

De specifieke kennis over de ontwikkeling van vierjarigen is weg, meent Zirkzee. Zelfs in de specialisatie voor het jonge kind is de kleuter ondergesneeuwd. De pabo-studenten die voor een kleuterklas komen te staan zijn als voor de leeuwen geworpen. Manon Oeben knikt. Zo heeft zij het ook ervaren.

“Op de pabo zijn er zulke enorme hiaten als het om kleuters gaat. Al tijdens de afstudeerperiode kwam ik daar achter. Ik liep vier weken stage in een kleuterklas. De werkvormen die ik had geleerd sloegen in de praktijk niet aan. Logisch soms. Kijk, als je in groep 4 zegt: opruimen, dan weet iedereen wel wat je bedoelt en gaat aan de slag. Maar kleuters niet. Je moet eerst hun aandacht vragen, op een centrale plek gaan staan en ieder kind precies zeggen wat ie moet doen. Anders gebeurt er niets. Nou dat heb ik op de pabo niet geleerd. Gelukkig werd ik tijdens die stage begeleid door twee 'klossers'.”

Na haar afstuderen - met de specialisatie onderbouw - kwam ze een jaar als invalster te werken op de basisschool in Den Haag. Het eerste jaar vond de uit Drenthe afkomstige kleuterjuf (“Je kreeg een bonus van honderd gulden als je hier kwam werken, dus als ex-student doe je dat meteen”) ontzettend moeilijk.

“Je kreeg hier te maken met grote klassen en veel kinderen die het Nederlands nog moeten leren. Ik zag door de bomen het bos niet meer. In theorie wist ik wel hoe het moest, maar veel praktijkervaring had ik dus niet. In de vroegere klos-opleiding liepen ze gedurende drie jaar iedere maand wel een week stage. Dan leer je een hoop van hoe kleuters in elkaar zitten. Wij lopen maar een paar weken tot hooguit twee maanden stage in het kleuteronderwijs. Dan kom je toch eigenlijk totaal onvoorbereid voor de klas te staan.”

Zirkzee: “Ik hoor de jonge collega's wel vaker zeggen: daar hebben we weinig over geleerd. Je ziet het soms ook aan een bepaalde aanpak. Neem het straffen. Er zijn scholen waar kleuters voor straf een halfuur in een ander lokaal geplaatst worden. Hier komt het nog wel eens voor dat een kind op een stoeltje in de gang apart gezet wordt. Dat is niet zoals het hoort naar mijn idee. Effectiever is het om het kind wel even apart buiten de groep te zetten, maar met het gezicht naar de groep gericht. Dan ziet het wat het mist. En over het tijdsbesef van zulke jonge kinderen heb ik geleerd dat een kwartier voor hen zo lang duurt als een uur voor ons. Dan is een paar minuten straf dus wel genoeg.”

Een ander voorbeeld: “De jongste kleuters in de klas dezelfde kleurplaat voorleggen als de oudste kleuters. Met de instuctie: inkleuren en uitknippen. Wat zie je? Een vierjarige gaat krassen met de potloden. Hij gaat flink over de lijnen heen. Het ziet intussen dat een ouder kind het plaatje wel mooi inkleurt. Het raakt daardoor gefrustreerd en gaat op het blad van dat kind krassen. Gevolg: De kleuter wordt op de gang gezet omdat ie zo vervelend is.”

“Maar het is de juf die een te hoog verwachtingspatroon heeft van de kleuter”, zegt Zirkzee. “Ten eerste moet je zo'n kind geen potloden geven, want zo jong hebben ze nog geen goede pengreep. Gebruik wasco of dikke potloden. Ten tweede had je de frustratie kunnen voorkomen door het kind een groter blanco vel te geven, waar het zelf iets moois op had kunnen maken. En dan natuurlijk scheuren. Daar begin je mee. Kleuters doen rare dingen met scharen. Het is net als met verven. Laat ze eerste lekker met hun vingers kliederen voordat je ze een kwast in handen geeft.”

Juist dat inschatten wat kinderen wel of niet moeten kunnen op een bepaalde leeftijd vond Manon Oeben de eerste jaren lastig.

“Ik had geen idee waar ik naar moest kijken. Ik had op school wel iets gehad over het verloop van een tekening bijvoorbeeld, dat dat iets zegt over hoe ver het kind is in ontwikkeling. Maar in de praktijk had ik daar nooit iets van gezien. Nu weet ik dat een kind van vier wel 'koppoters' mag blijven tekenen - dat is een rondje met twee poten eraan -, maar dat een kind van zes, zeven toch wel een poppetje met armen, benen en details in het gezicht moet kunnen tekenen.”

“En als zo'n kind dan eenmaal een poppetje kon tekenen in het midden van zo'n blad vond ik 't hartstikke goed”, zegt Oeben. “Totdat Irma tegen me zei: die poppetjes van jou zweven in de lucht. Je kan de kinderen stimuleren hun fantasie te gebruiken door ze te vragen: wat doet het poppetje? Lopen op het gras of springen in de lucht? Dan gaan ze ook een omgeving tekenen.”

In haar tweede jaar op de Van Ostadeschool, inmiddels met een vaste aanstelling, deelde Manon Oeben een kleuterklas met Zirkzee, die parttime werkte. Lastig, werken met zo'n ervaren 'klosser'?

“In het begin wel. Ik had zoveel moeite alleen al om de kinderen rustig te houden. Dan sta je zo'n klas te draaien en is er veel lawaai juist op een moment dat er zo'n oudere kleuterjuf binnenkomt. Ik heb er slapeloze nachten van gehad. Je wilde het zo graag goed doen, maar wist niet precies hoe. Kleuters zijn echt een vak apart. Ik heb veel profijt van de 'klossers', nu is alleen Irma er nog. Het ligt ook aan je eigen houding. Of je open staat voor adviezen.”

Zirkzee: “Ik heb respect voor de nieuwe collega's die net van de pabo komen. Ondanks dat ze zich soms best bekritiseerd voelen luisteren ze wel graag naar de oude garde. En dan pikken ze toch dat op, waar ze zelf behoefte aan hebben. En zo leer ik ook wel wat van hen.”

Na lang nadenken: “Nee, ik kan nu niet benoemen wat, maar je leert als collega's onderling toch altijd wat van elkaar.”

Oeben: “Wat volgens mij nu het probleem is, is dat al die jonge kleuterjuffen die de pabo hebben gedaan nu zelf stagaires van de pabo krijgen. Moeten die studenten bij míí stage lopen, terwijl ik nog volop aan het leren ben over kleuters. Zo gaat de kwaliteit van het kleuteronderwijs wel achteruit ja.”

Zirkzee: “Nou doe jij het heel goed, dus ze kunnen best bij jou terecht.”

Oeben: “Maar ik heb af en toe wel hulp nodig. Ik werk in de klas met een taalprogramma voor anderstalige kinderen. Ik hield er in het begin heel strak aan vast. Drie keer per week zo'n les. In de handleiding staat precies hoe je het moet doen. Maar het leek of de kinderen er geen belangstelling voor hadden, ze onthielden ook weinig. Toen heb ik me met Irma afgevraagd of dit wel zinvol was. Irma zei: je leest te weinig voor. Dat moet je elke dag doen. Dát is goed voor hun taalontwikkeling. En ja hoor: na een week kenden ze het verhaal van het prentenboek Rupsje Nooitgenoeg letterlijk uit hun hoofd. En ze wisten waar ze over spraken. We hadden een rups in de klas gehaald en er kwamen allerlei etenswaren aan bod. Terwijl ze na een jaar de hoofdpersonen uit het taalprogramma niet eens wisten te noemen. Niet dat ik hiermee dat programma afkraak, ik gebruik het nog wel, maar niet meer zo vaak en zo strak als ik deed.”

Zirkzee: “Dat is nou het leuke van het kleuteronderwijs. Als je uitgaat van het kind en daarop aansluit kom je tot hele creatieve dingen in de klas.”

Oeben: “Ja, jij hebt die creativiteit op de klos leren ontwikkelen. Ik heb die creativiteit niet.”

Zirkzee: “Toch wel, kijk maar naar wat je met dat prentenboek hebt gedaan. Dat vond je zelf heel leuk. En daar zijn kleuters gevoelig voor. Als je enthousiast iets overbrengt, dán onthouden ze het. Niet dat ik helemaal terug wil naar vroeger. Maar we moeten ervoor oppassen dat we kleuters geen dingen gaan aanleren, waar ze qua ontwikkeling nog niet aan toe zijn.”

Ze pakt er een toets bij voor de oudere kleuters. Vijf getallen op een rij: 8 6 5 2 7. Zet een streep onder het grootste getal, is de opdracht.

“Cijfers moet je als begrip kunnen herkennen, voordat je naar groep 3 gaat. Dat was vroeger ook zo. maar de inhoud van zo'n getal, dat hoefde je nog niet te weten. Als je te veel van kleuters gaat eisen verpruts je een heleboel voor hun latere schoolcarrière. Zoals bijvoorbeeld de zin om naar school te gaan. Dat zou toch jammer zijn.”

mailIcon print |