*

 
dossier

Archief

Stem tegen deeltijdwet kan CDA niet uitleggen

KEES KLOP − 09/12/97, 00:00

Vandaag behandelt u het wetsontwerp inzake deeltijdarbeid. Gezien de stemverhoudingen zoals die in de pers bekend zijn geworden, heeft u het aannemen of verwerpen van het wetsontwerp in handen. Het wetsontwerp geeft de werknemer het recht zijn werktijd terug te brengen tot tachtig procent van wat in de arbeidsovereenkomst is vastgelegd, tenzij ernstige bedrijfsorganisatorische bezwaren zich daartegen verzetten. Bij CAO mag bovendien van de wet worden afgeweken. Je zou dus zeggen dat aan de bezwaren van de werkgevers, ook die in het midden- en kleinbedrijf, tegemoet is gekomen.

Toch bijven de werkgevers mordicus tegen. Die tegenstand lijkt nauwelijks te maken te hebben met dit wetsontwerp. Zij ervaren deze wet echter als wéér een stap in een reeks van wetten. Daarom zijn ze tegen. Maar kan dat voor uw fractie een doorslaggevende reden zijn tegen te stemmen? Me dunkt van niet. Het terechte argument dat u zonder last en ruggespraak stemt, geldt toch niet alleen jegens de voorzitter van de partij?

De vakbeweging houdt haar mond. Zij vindt het niet erg als de wet wordt aangenomen, maar heeft met de werkgevers een zwijgplicht afgesproken. Dat maakt het voor het CDA niet eenvoudig. Het CDA heeft immers een voorkeur voor zelfregulering door sociale partners uit hoofde van het principe van gespreide verantwoordelijkheid. Hebben de sociale partners zelf voldoende geregeld? Dat is de hamvraag in deze kwestie. Daarom heeft u de evaluatie afgewacht van het akkoord uit 1993 van de Stichting van de arbeid inzake deeltijdarbeid. Die evaluatie vertoont een wisselend beeld. Enerzijds is er vooruitgang geboekt, anderzijds is die vooruitgang bepaald niet royaal.

De conclusie dat de sociale partners hun verantwoordelijkheid heben genomen, kan niet zo sterk worden getrokken dat het wetsontwerp vanzelfsprekend kan worden ingetrokken. Zo evident is de evaluatie niet. Dat had nog gerepareerd kunnen worden als de sociale partners een sterk commitment hadden afgegeven, dat zij vanaf nu de zaak in een stroomversnelling zullen brengen. Maar zo'n sterk commitment ontbreekt. Zij hebben zich alleen voorgenomen betere voorlichting te gaan geven.

Wat nu? Droeg ik uw verantwoordelijkheid, dan koos ik de zijde van de vele jonge kiezers die op het punt staan een gezin te gaan vormen en die vrijwel allemaal het liefst de taken binnens- en buitenshuis samen verdelen. Het wetsontwerp geeft hun een steuntje in de rug. Zo ervaren zij het ook. Dat geldt trouwens evenzeer voor hun ouders. Ik had laatst een spreekbeurt over het gezin voor het vrijgemaakt gereformeerde studentengezelschap Petrus Plancius in Amsterdam. Het was 'ouderdag' voor het dispuut. De ouders mochten eens kijken hoe het hun kind in 'Sodom' verging. Tot mijn verrassing was er veel steun voor het twee-deeltijdbanen-model. Moeders van zéér grote gezinnen stelden dat zij dit vroeger ook wel hadden gewild. 'Maar ja, de tijden waren toen anders.'

Ik wil maar zeggen: zeer veel mensen zullen het niet begrijpen als het wetsontwerp wordt verworpen, hoewel de bezwaren van de werkgevers op de keper beschouwd voor dit wetsontwerp niet doorslaggevend kunnen zijn. Als het wel wordt verworpen, hoeft het CDA in de nu gestarte verkiezingscampagne niet meer over het moderne gezin te beginnen, vrees ik. Dat krijgt de partij niet meer uitgelegd vòòr mei 1998.

Ik wens u vandaag veel wijsheid toe.

Met vriendelijke groet,

Kees Klop

mailIcon print |