Hoe nauw alles luistert in de wetten die het gangbare taalgebruik beheersen en hoe hachelijk een minieme verschuiving is, kan een klein en wat oneerbiedig experiment laten zien. Wij leggen even 'ik heb lief' naast 'ik heb liever' en we zien een passie overgaan in een lichte voorkeur. Wij zeggen in plaats van 'liefhebben' een keer 'liefhebberen' en het broze woord valt rinkelend in stukken. Of wij vervangen in het grote gebod 'Gij zult uw naaste liefhebben' het zwaarste woord door een dat ermee verwant is en evengoed dezelfde betekenis zou kunnen hebben. Wij zeggen dan 'Gij zult uw naaste voor lief nemen', en dan blijken wij ineens met bijna dezelfde woorden iets heel anders en veel minder ernstigs te zeggen. Het verschil is even groot als dat tussen 'genoegen beleven aan' en 'genoegen nemen met'. Of we zeggen 'Gij zult Uw naaste voor lief houden' en ook dan maken we het grote gebod belachelijk.
De afkomst van de woorden en hun 'eigenlijke' betekenis doet blijkbaar nauwelijks ter zake bij het bepalen van hun historische en morele gewicht. Mogelijk is 'liefhebben' taalkundig wel te herleiden tot 'voor lief houden' of 'als dierbaar beschouwen', maar in de plechtige klank van 'liefhebben' speelt dat geen enkele rol meer. Het nemen, hebben en houden is uit het gebruik daarvan weggefilterd, en ook de betekenis van 'lief ' is nogal vervaagd. Om groot te worden lijkt het gebod wel aan letterlijkheid te moeten inboeten. Hoe letterlijk moeten wij grote woorden verstaan?
Kunnen wij 'liefhebben' en 'houden van' als vormen van menselijk gedrag helemaal los denken van de drang om te bezitten en vast te houden, die uit deze woorden naar voren lijkt te komen en waarvan het bestaan nu juist ontkend moet worden? En waarom worden er woorden gekozen waarvan de letterlijkheid onmiddellijk weer moet worden ontkend? Want als er iets als kenmerkend voor de liefde beschouwd moet worden, dan is het toch wel een belangeloosheid die afziet van bezit en bazigheid. Het grote gebod is dat wij onze naaste niet als ons bezit zullen beschouwen, met onze eventuele macht aan ons zullen binden of hem inschakelen bij het nastreven van onze doelen. Het gebod zegt, dat wij hem even belangrijk moeten vinden als onszelf en hem alles moeten gunnen wat wij voor onszelf wensen.
Misschien moeten wij, om recht te doen aan de grootte van het gebod, behalve 'hebben' ook 'lief' in zijn letterlijkheid loslaten. Want gewoonlijk gebruiken wij dat woord in verband met een aantrekkelijke eigenschap die wij anderen toeschrijven en die ons onweerstaanbaar in hun richting trekt. Als Hieronymus van Alphen de vader van Jantje (van de pruimen) na zijn snelle bekering laat zeggen 'Nu heeft vader Jantje lief', zal hij toch wel niet bedoelen dat de ouderliefde onder vijf, zes pruimpjes dreigde te bezwijken, maar eerder dat hij de potentiƫle pruimendief, zoals hij zelf ook zei, een 'kleine hartendief' vond en hem een goed karakter toeschreef, zoals hij dat natuurlijk ook zelf had.
De scène is bijna te warm en te kneuterig voor het grote gebod van liefhebben. En het gebod is te groot en te hoog om aan deze kleine maat van onze schattigheidswaarde gemeten te worden. Ook zonder te weten wat liefhebben precies is, moeten wij beseffen, dat het principieel iets heel anders moet zijn dan vertederd worden of schattig vinden. Op dat punt hebben wij overigens ook geen geboden nodig.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.