*

 
dossier

Archief

WE ZIJN KEIHARD GEWORDEN

ANNEMARIE KOK − 17/01/98, 00:00

Op vrijdag 12 september gingen vier jongens samen stappen in Leeuwarden. De zeventienjarige Dennis, Peter (27), Marco (25) en Pieter (24). Hun vriendinnen bleven thuis. “Doei, ga maar lekker weg”, hadden Suzanna, Margaretha en Jessica gezegd.

Suzanna (20) woont sinds drie jaar samen met Peter. Die avond zat ze met griep in haar pyjama op de bank naar een 'romantische kwijlfilm' te kijken. Haar schoonzusje Jessica (17), ook in pyjama, verzorgde haar een beetje. Jessica is Peters jongste zus en heeft verkering met Pieter. Margaretha (24) is de andere zus van Peter en woont ruim vijf jaar samen met Marco. Zij was thuis bij hun dochtertje van bijna drie.

Om half vier 's nachts is Marco aan de telefoon. “Ik zit op het politiebureau. Wegens een vechtpartijtje. Morgenvroeg hoor je meer”, zegt hij. Ook in Stiens, een plaatsje ten noorden van Leeuwarden, rinkelt de telefoon. Suzanna en Jessica horen het niet. Ze slapen heel diep.

Zaterdagmorgen 13 september, acht uur. Opnieuw wordt er gebeld bij Margaretha. Een politieman zegt: “Ze hebben er een doodgeschopt.” Margaretha (“Het was alsof ik een betonnen plaat tegen mijn hoofd kreeg”) belt meteen naar Stiens. Suzanna neemt op. Jessica, nog in de slaapkamer, hoort haar schoonzus eerst gillen en dan huilen.

Jessica: “Van begin af aan voelde ik: we moeten de jongens steunen.” Margaretha: “We zijn dan wel niet getrouwd, maar het is toch: in voor- en tegenspoed.” Suzanna: “Zelf stortten ze helemaal in toen bleek dat die jongen was overleden. Dan ga je niet zeggen: mij zie je niet meer. Dan zou het leven voor hun helemaal geen zin meer hebben. Bovendien hebben wij steeds gedacht: ze doen zoiets niet. Ze gaan heus niet met zijn vieren iemand doodmaken.”

Jessica en Margaretha zitten bij hun schoonzus Suzanna aan tafel. Een rijtjeshuis in een nieuwbouwwijk. Peter, vorige week tot twee jaar cel veroordeeld voor openlijke geweldpleging, is thuis in afwachting van de hoger- beroepszaak. In een gemakkelijke stoel maakt hij de spruitjes voor vanavond schoon. Spijkerbroek, shirt met korte mouwen, kettinkje en witte badstof sokken. Onder de tafel ligt een hond. In de bijkeuken loeit de centrifuge.

Ze wonen nu een half jaar in Stiens, vertelt Suzanna met haar dochter van bijna twee op schoot. De sfeer in Leeuwarden vonden ze de laatste tijd 'agressief'. “Als je 's avonds weg was met vriendinnen en in de kroeg per ongeluk iemand aanstootte, moest je bij wijze van spreken al hard weglopen. En voor ons huis lagen spuiten.”

Vroeger woonde Suzanna in dezelfde buurt als Peter. Ze vond hem al heel lang leuk. “Peter was nogal dwars, hij zag een relatie eerst niet zitten. Maar de aanhouder wint”, zegt Suzanna lachend.

Margaretha kwam Marco (ook tot twee jaar veroordeeld) tegen bij McDonald's. “We waren allebei medewerker fast-food.” Binnen drie maanden woonden ze samen. Haar zusje Jessica leerde Pieter (die 240 uur dienstverlening en een half jaar voorwaardelijk kreeg) kennen via Marco. Eerst zagen ze elkaar niet staan, vertelt ze. “Ik was een supergabber in een trainingspakje.” Maar afgelopen zomer was het raak. Zij wonen ook samen.

Die zaterdag gaan Suzanna, Margaretha en Jessica naar het politiebureau. “We moesten kleren brengen”, zegt Jessica. Haar zus: “We werden ontzettend afgeblaft door een hoofdrechercheur. Met een rood hoofd zei hij dat de jongens met zijn vieren iemand van de wereld hadden afgetrapt.” Suzanna: “Hij zou er persoonlijk voor zorgen dat we hen vijftien jaar niet meer zouden zien. We werden echt heel grof behandeld.” “Die man”, voegt Peter vanuit de zithoek toe, “is een tijd op non-actief gesteld.”

Vrijdag, een week later. Het zou de trouwdag zijn van Meindert en Jennifer. Het is de dag van de begrafenis. 's Avonds om elf uur is er een minuut stilte. Op tv is de plechtigheid in Leeuwarden live te volgen. Jessica en Suzanna kijken samen, met een paar vrienden.

Margaretha kijkt niet. Ze heeft net gehoord dat Marco is aangenomen voor een nieuwe baan. “Toen brak er iets bij mij, hij had er zo naar uitgekeken. Mijn moeder heeft me opgehaald. Mijn ouders konden het niet aan om naar die uitzending te kijken.”

Over de twee minuten stilte, vorige week tijdens de uitspraak van de rechter, zegt ze: “Ik sta helemaal achter acties tegen zinloos geweld, want het loopt echt de spuigaten uit. Maar het protest was puur gericht op Meindert Tjoelker.”

Jessica: “De Tweede Wereldoorlog herdenk je ook niet om de drie maanden. En dezelfde mensen die demonstreerden tegen zinloos geweld, belden op naar justitie dat wij beter maar niet naar de uitspraak konden komen. Ze zouden ons hetzelfde aandoen als wat met Meindert Tjoelker is gebeurd. Dan ben je wel heel laag bezig.”

Drie weken zien en spreken ze hun vriend, broer en zwager niet (Dennis komt al eerder vrij en wordt niet vervolgd. Pieter gaat op 7 oktober naar thuis, Peter en Marco zullen tot de Kerst in voorarrest blijven). De advocaten zeggen dat zij zich maar niet te veel moeten aantrekken van 'de media'. Jessica: “Ze werden 'de moordenaars van Meindert Tjoelker' genoemd, terwijl de onderzoeken nog bezig waren.”

Margaretha: “Dan stond je in de Trekpleister en hoorde je mensen zeggen: 'ze moesten ze ophangen'. Iedereen dacht alleen aan de familie van Meindert Tjoelker en aan Jennifer. Natuurlijk is het heel erg voor hen, daar hebben we heel lang bij stilgestaan. Maar wij zijn er ook nog. Ik en mijn dochtertje moeten ook verder.” Suzanna: “De mensen luisteren maar naar één kant van het verhaal.”

Van haar collega's kreeg Suzanna wel steun. Ze stuurden een kaartje. En de buurvrouw was 'geweldig'. Ze is familie van Marco, dat scheelde een hoop. Margaretha had ook veel aan de overbuurvrouw. “Ze zei dat het haar zoon ook had kunnen gebeuren.” Maar vrienden hebben ze niet veel meer. “Ik heb alleen nog kennissen”, zegt Jessica.

Alledrie stopten zij in de periode na 13 september met hun baan of opleiding. Suzanna werkte in een fabriek waar ze ventilatoren in elkaar zette. Daarvoor stond ze in een slagerij. Ze heeft LBO gedaan, 'koken-serveren'. Jessica was net begonnen met 'mode-kleding', na het VBO. Margaretha leerde voor receptioniste-telefoniste. Eerder werkte ze bij McDonald's, en als hoofdcassière bij de C 1000.

Wat er is gebeurd, zeggen ze, 'is niet goed te praten'. Maar ze verwijten hun geliefden niets. “Dat kan ik niet”, antwoordt Jessica met een strak gezicht. “Het gaat wel eens door je heen: waarom is het zo gelopen?”, zegt Margaretha. “Maar het was een uit de hand gelopen vechtpartij.” Suzanna en Jessica knikken. “Beide partijen”, vinden ze alledrie, “hebben schuld.”

“Meindert heeft wel iets meer gezegd dan 'klootzak, kom hier”, weet Margaretha. Hij had het ook over 'hoerenjong'. Zijn vriendin zei zelfs: 'laat maar zo, het is genoeg'. Maar dat hoor je nergens, dat het een heel erge scheldpartij was.”

Peter komt bij de tafel staan met de vraag hoeveel Witte Reus hij bij de was moet doen. Margaretha: “Ik denk dat als iemand tegen mij zou zeggen: 'kom hier, dan krijg je een klap voor je harses', dat ik er ook op af zou lopen en zou vragen: wat heb je dan?”

Jessica: “Die fiets waarover die scheldpartij ging, daar zaten amper wielen aan. Daar gingen ze overheen springen, toch?” Suzanna: “Ja en toen viel Marco.” Jessica: “En dan krijg je zo'n scheldpartij. Nou, sorry hoor.”

Margaretha: “Als ik in mijn lolligheid over een fiets spring, dan is dat mijn eigen keuze. Daar hoeven ze mij niet op aan te spreken. Ik maak die fiets niet kapot. Ik spring er alleen overheen. Als ze die fiets nou helemaal hadden gesloopt of in de gracht gegooid, dan is het wat anders.” “Of als het zijn eigen fiets was geweest”, zegt Jessica.

“Zoals jullie het vertellen, klopt het niet helemaal”, roept Peter. “Omdat wij Marco uitlachten toen hij over die fiets viel, heeft hij later op de hoek een andere fiets omgeduwd. Daar reageerden zij op. Meer was er niet aan de hand.” Margaretha: “Hoe vaak wordt er wel niet een fiets omgeduwd?” Jessica: “Ik ga vaak uit, dan zie je vaak dat er aan een fiets wordt gezeten. Dan heb ik zoiets van: als het mijn fiets niet is, waar zou ik me dan druk om maken? Het is maar net hoe je in elkaar zit.” Haar zus: “En hoe iemand het brengt, als-ie er toch wat van zegt.”

De drie jongens gingen niet vaak op stap. Pieter en Marco kwamen wel geregeld in buurthuis De Toekomst. Margaretha: “Voor een biertje. Daarna gingen ze altijd even een shoarmaatje halen. En dan weer naar huis.” Suzanna: “Peter heeft soms dat alles even op 'm af komt en dan gaat-ie wel eens weg. Als dat eens in de vier, vijf maanden voorkomt, is het veel. En verder gaat-ie wel eens een biertje drinken en een biljartje leggen bij z'n vader op de camping.”

De meiden schrokken niet toen ze achteraf hoorden dat hun vrienden die avond en nacht vijftien tot twintig glazen bier hadden gedronken. “Als je de hele avond uitgaat, is dat niet veel”, vindt Jessica. Suzanna: “Voor Peter is het wel wat veel, want hij zit met z'n maagtabletten. Maar ik denk dan: de volgende dag hang jij boven de wc, niet ik. En dan sta ik hem uit te lachen, hoor!”

“Margaretha: “Wij hebben vaak feesten gegeven bij ons thuis. Nooit was er heibel, hoeveel drank ze ook ophadden.” Suzanna, vertederd: “Ze worden juist altijd heel melig, ze zijn dan net weer een stel verliefde jongetjes, kruipen tegen je aan, maken grapjes.”

Dat de meligheid die nacht in de binnenstad omsloeg in agressiviteit, kwam dan ook niet door de drank, denken de vrouwen. Het kwam, zeggen ze, doordat de jongens werden uitgedaagd. “Ik was er ook heen gegaan”, zegt Margaretha nog eens. “En dan hoef ik niet eens dronken te wezen. In m'n nuchterheid zou ik er ook op af lopen. En geeft iemand mij dan een klap, dan geef ik een klap terug.”

Maar hun vrienden begonnen toch? “Met slaan?”, vraagt Margaretha. “Ja, volgens mij wel”, zegt Suzanna. “Jullie begonnen toch, Peter?” “Ja”, zegt haar vriend. “Zij hadden misschien de eerste klap moeten afwachten”, zegt Margaretha dan. “Maar ik weet niet hoe ik zelf in zo'n situatie zou reageren.” Suzanna: “Ik weet het ook niet. Ik kan me daar niet in verplaatsen.”

Margaretha: “Het was ook niet zo dat ze met zijn vieren op één man zijn gesprongen. Als ze dat nou hadden gedaan. Maar zo is het niet gegaan.” En over de shoarma die de jongens gingen eten, terwijl Meindert languit op straat of op handen en knieën achterbleef: “Dat doen ze altijd.” “Ze wisten niet hoe erg het was. Anders krijg je natuurlijk geen hap door je keel”, zegt Jessica.

Peter is de enige die heeft bekend dat hij geweld tegen het slachtoffer heeft gebruikt. Hij voelt zich verantwoordelijk voor de dood van Meindert Tjoelker. “Hij zit er verschrikkelijk mee”, zegt Suzanna. Marco en Pieter voelen zich niet verantwoordelijk. Margaretha: “Marco vindt het erg wat er is gebeurd. Maar hij zegt dat hij Tjoelker niet heeft aangeraakt. En ik geloof mijn vriend.”

Op de vraag wat Suzanna ervan vindt dat haar zwagers geen schuld erkennen, antwoordt ze: “Ik heb zoiets van: je bent met je drieën de confrontatie aangegaan, dus je wist met zijn drieën van de gevolgen.”

Jessica: “Zoiets heb ik ook. Peter is niet alleen mijn broer, maar ook mijn beste vriend. Daarom ben ik wel eens boos geworden op Pieter. Ik zei: jullie waren met zijn drieën en nu staat alleen Peter ervoor.” Suzanna weer: “Maar ja, als zij zeggen: 'ik voel me niet verantwoordelijk', dan is dat hun mening. Iedereen moet dat voor zichzelf oplossen. Ik kan moeilijk zeggen: je komt er niet meer in. Dat kun je niet maken.” Jessica: “Het zou de familieband kapot maken.”

Gevoelig liggen ook de belastende verklaringen die de drie over elkaar hebben afgelegd. Pieter, bijvoorbeeld, heeft verteld dat hij Peter of Marco op weg naar de shoarmazaak hoorde zeggen: “Zag je hoe ik schopte?”

Jessica: “Pieter heeft het daar heel moeilijk mee. Hij is bang dat ik daar boos over ben en bang dat hij daardoor Peter en Marco kwijtraakt. Suzanna: “Peter neemt het hem niet kwalijk.” “Niemand heeft het kunnen bevestigen”, zegt Margaretha.

Over Dennis, die hun vrienden die avond en nacht vergezelde, praten ze liever niet. Hij wordt misschien alsnog vervolgd. Er zijn aanwijzingen dat een van Tjoelkers verwondingen is veroorzaakt door een trap met een Nike-Air. Alleen Dennis droeg die avond dat merk. Ze kennen Dennis, hij is een vriend van Marco. “Ik vind het vreselijk voor hem en zijn familie”, zegt Margaretha. “Dennis heeft niks gedaan”, zegt Peter.

Peter, Marco en Pieter zijn niet meer 'de jongens van eerst'. Margaretha: “Marco was al een binnenvetter. Vroeger hadden we daar wel eens problemen over, maar in de loop van de jaren zei hij wel wat meer. Nu moet ik weer alles uit hem trekken. Hij praat bijna niet over de zaak. Ik moest alles zelf vragen. En zijn vrolijkheid is verdwenen. Dat zie je aan de gezichten van de anderen ook. Een verbeten trek.”

Jessica: “Bij Pieter duurt het ook heel lang voor hij iets kwijt wil. En ik doe er zo mijn best voor.” Suzanna: “Peter praat veel, maar zegt weinig. Ik denk dat hij bang is mij erin te betrekken. Jessica over haar broer: “Peter heeft een schild om zich heen.” Suzanna: “Hij draait een knop om, op een of andere manier. Maar als-ie alleen is, staart hij voor zich uit, hoort niets meer. En hij heeft complete nachtmerries. Ik word er niet goed van hoe vaak hij er 's nachts uit loopt.”

Zelf zijn ze ook veranderd, vertellen ze. “We zijn keihard geworden”, zegt Suzanna. “Je bent een buitenstaander en toch word je als schuldige gezien. Je hebt een stempel.” Margaretha: “Het vertrouwen in de mensen is weg.”

Suzanna's dochtertje zit nu bij Peter op schoot met een boekje. “Die twee waren altijd samen”, zegt Suzanna. Toen Peter weg was, sloeg ze met haar hoofd tegen de muur en nam ze een foto van hem mee naar bed.

Het dochtertje van Margaretha krijgt binnenkort speciale therapie. 'Papa is een klootzak', zei ze tegen Marco toen ze hem opzochten in het huis van bewaring. Dat had iemand op straat gezegd. Haar moeder vertelde haar: 'de mensen vinden papa niet lief. Maar papa is wel lief'. Het is niet uit te leggen. Ze is druk en baldadig.

“Het was moeilijk om elkaar gelukkig nieuwjaar te wensen”, zegt Margaretha. Suzanna: “Met dat hoger beroep zijn we terug bij af. We moeten straks weer door die hele hel heen.” Margaretha en Marco zouden dit jaar trouwen. Dat gaat niet door. Een tweede kind voorlopig ook niet. Hetzelfde geldt voor Suzanna en Peter. Jessica: “Pieter en ik wilden van de zomer naar Isla Margarita. Maar je kunt nu geen plannen maken.”

Margaretha: “We moeten het een plekje geven. Maar je blijft er je hele leven, elke dag aan denken. Tot je zelf dood bent.”

mailIcon print |