*

 
dossier

Archief

Illegalen en andere buitenlanders ten onrechte over één kam geschoren

PIET VAN GEEL; KEES TAZELAAR − 10/04/96, 00:00

De auteurs zijn verbonden aan resp. het landelijk bureau van de Vereniging VluchtelingenWerk Nederland en het Landelijk bureau ter bestrijding van rassendiscriminatie.

Het is nog niet zo lang geleden dat de Nederlandse overheid elk direct en indirect onderscheid naar nationaliteit in het maatschappelijk verkeer verbood, via de Algemene wet gelijke behandeling. De overheid geeft met de Koppelingswet nu zelf het slechte voorbeeld. Vreemdelingen die rechtmatig in Nederland verblijven, worden in één adem met illegalen uitgesloten van maatschappelijke voorzieningen, zoals deelname aan onderwijs en gebruik van gezondheidszorg en sociale uitkeringen.

Vreemdelingen worden in steeds nauwer omschreven hokjes met zo weinig mogelijk rechten gestopt. Door verschillende vormen van maatschappelijke uitsluiting worden zij in een uitzonderingspositie geplaatst. De overheid drukt zo een negatief stempel op buitenlanders, waardoor de acceptatie van buitenlanders in de samenleving ernstig wordt bemoeilijkt. Het vormt een alibi voor anderen om eveneens onderscheid te gaan maken.

Het non-discriminatiebeginsel vereist een categorische gelijke behandeling, tenzij in een specifiek geval toereikend wordt beargumenteerd dat een uitzondering daarop nodig en redelijk is. In de Koppelingswet worden echter bepaalde groepen verblijfsgerechtigden uitgesloten van elke voorziening, tenzij in een bepaalde 'materie-wet' een uitzondering wordt gemaakt. Daarmee zet de regering de boel op zijn kop.

Veel voorzieningen en vergunningen (zoals een ventvergunning of een horecavergunning) worden verstrekt op grond van gemeentelijke regelgeving. Als door de Koppelingswet bepaalde groepen verblijfsgerechtigden categorisch worden uitgesloten, is het aan de gemeente om in zo'n regeling te bezien of niet toch aan deze buitenlanders rechten moeten worden toegekend. Omdat niet elke gemeente daarover dezelfde opvatting zal hebben, kan dat leiden tot rechtsongelijkheid.

De Koppelingswet maakt niet alleen onderscheid tussen Nederlanders en buitenlanders, maar ook tussen verschillende groepen buitenlanders onderling. Een houder van een gewone verblijfsvergunning heeft met Nederlanders vergelijkbare rechten, maar een vluchteling uit Bosnië met een voorwaardelijke vergunning tot verblijf (VVTV) zou geen uitkering en zelfs geen marktvergunning of een invaliden-parkeervergunning kunnen verkrijgen. De Raad van State heeft in zijn advies bij het wetsvoorstel erop gewezen dat het onderscheid tussen verschillende verblijfsgerechtigde vreemdelingen mogelijk discriminatoir is. Bij elke regeling waarin het onderscheid van de Koppelingswet doorwerkt, zou in concreto moeten worden bekeken of het gemaakte onderscheid wel noodzakelijk en objectief gerechtvaardigd is. Dat is tot nu toe niet gebeurd.

Het is gemakkelijk in de wet vast te leggen dat bepaalde bevolkingsgroepen van voorzieningen moeten worden uitgesloten. Moeilijker is het zo'n wet te handhaven en te controleren.

De tekst van het wetsvoorstel zelf zwijgt over handhaving. In de memorie van toelichting bij de wet hinkt de regering op twee gedachten waar het over controle gaat. Enerzijds wordt aangesloten bij de al jaren geleden aangenomen motie-Krajenbrink/Wiebenga, die de controle zoveel mogelijk wilde toevertrouwen aan de gemeentelijke bevolkingsregisters in combinatie met de vreemdelingendiensten. Anderzijds wordt gesteld dat bij voorbeeld onderwijsinstellingen zelf de verblijfsrechtelijke positie moeten controleren. Bij twijfel zou een en ander bij de gemeentelijke basisadministratie (GBA) moeten worden nagegaan. Deze instellingen voelen uiteraard niet veel voor deze oneigenlijke taak.

Uiterlijke kenmerken en niet-Nederlands klinkende namen dreigen de aanleiding te vormen voor selectieve controle. Het gevaar is levensgroot dat in de dagelijkse praktijk niet-deskundige lokettisten en dienstverleners verblijfspapieren gaan controleren en buitenlanders en allochtone Nederlanders voortdurend de last daarvan ondervinden.

Een probleem is verder dat de eerder genoemde GBA niet gedetailleerd genoeg is om de Koppelingswet te kunnen uitvoeren. Niet alle verblijfsrechtelijke posities uit de Koppelingswet zijn namelijk daarin opgenomen. Wel is dat het geval met het Vreemdelingen administratie systeem (VAS), maar dat heeft een heel andere functie en is terecht niet voor iedere gemeenteambtenaar beschikbaar, laat staan voor een onderwijsinstantie. Door allerlei problemen in de koppeling tussen GBA en VAS zou invoering van de Koppelingswet overigens nog de nodige tijd vergen.

Invoering van een Koppelingswet voor categorieën verblijfsgerechtigden is helemaal niet nodig. Er is al regelgeving die bij voorbeeld de uitkeringen van asielzoekers en houders van een voorwaardelijke vergunning tot verblijf regelt. Deze regelingen gaan vóór de Bijstandswet; het zijn zgn. voorliggende voorzieningen. Dat werkt goed. Waarom zou je dan een ingewikkelde, discriminerende en haast onuitvoerbare wet invoeren, die mensen uitsluit van zelfs een visvergunning of een kapvergunning?

Het kabinet zou er beter aan hebben gedaan eerst te analyseren op welke terreinen de grootste problemen bestaan, om vervolgens voor de (echte!) illegalen een beperkt aantal voorzieningen af te sluiten. Dat zou ook aansluiten bij de voorstellen die de commissie-Zeevalking daarover destijds heeft gedaan.

Het huidige voorstel ademt de geest van disproportionaliteit tussen de in te zetten middelen en het doel van het tegengaan van illegaal verblijf. De regering maakt niet duidelijk welke meerwaarde van de Koppelingswet mag worden verwacht boven de reeds bestaande maatregelen zoals de Wet op de identificatieplicht, het gebruik van het Sofi-nummer en de Wet arbeid vreemdelingen.

Vooralsnog valt vooral een enorme bureaucratisering van het beleid en stigmatisering en ongelijke behandeling van vreemdelingen en allochtone Nederlanders te verwachten.

mailIcon print |