*

 
dossier

Archief

'Sommige mensen willen de glans van onze medaille halen'

NICOLIEN VAN DOORN − 02/01/96, 00:00

Tijdens de World Cup in Japan verspeelde het Nederlands vrouwenvolleybalteam de eerste mogelijkheid om zich voor de Olympische Spelen te kwalificeren. In Bremen volgt deze week de herkansing. Van donderdag tot zondag strijden Nederland, Rusland, Kroatië en Duitsland om de eerste plaats. Want alleen het winnende team krijgt een ticket naar Atlanta. De verliezers mogen het in mei nog een keer proberen.

Neem nou de drie tegenstanders, die zijn team in Bremen van zich af moet houden. Rusland, Kroatië en Duitsland. De eerste twee hebben nog steeds nachtmerries over de halve en hele EK-finale, waarin ze door Nederland werden uitgewrongen en afgedroogd. En Duitsland is hooguit lastig omdat het voor eigen publiek speelt. Alles bij elkaar drie tegenstanders, die het team van Goedkoop makkelijk moet kunnen hebben. Toch?

Nou nee, zegt Goedkoop zorgelijk. Zo eenvoudig ligt het niet. Om te beginnen moet hij drie van zijn speelsters thuis laten. Henriëtte Weersing en Jolanda Elshof zijn geblesseerd en tweede spelverdeelster Petra Groenland is ziek. Daar komt bij dat zijn team in fysiek opzicht minder sterk is dan anders, omdat het maar twee weken gezamenlijk heeft kunnen trainen. Twee weken? Is dat genoeg? “Of twee weken genoeg is?” Goedkoop schiet in de lach. “Die vraag is niet interessant. We hèbben niet meer.”

Ze hebben niet meer en ze krijgen niet meer. Ze mogen al blij zijn dat ze die twee weken hebben. Want met een competitie die in volle gang is, hebben de clubs alleen maar last van internationals die er niet zijn, omdat ze van het ene Olympische kwalificatietoernooi naar het andere sjouwen. Gelukkig hebben de meeste clubs er vrede mee. Dat de Nederlandse volleybalsters volgend jaar in Atlanta van de partij zijn, vinden ze belangrijker dan een soepel verlopende competitie. Al wordt er hier en daar wel degelijk geklaagd over overbelaste internationals, die niet genoeg energie zouden overhouden voor de competitie en de Champions League. “Die kritiek komt van één club en dat is AMVJ”, zegt Goedkoop kortaf. “En dan heb ik het niet over de trainers van die club, want die staan aan mijn kant.”

Natuurlijk, erkent de Amsterdamse trainer, komt het wel eens voor dat de internationals moe van een trip thuiskomen. “De World Cup in Japan, met zijn overvolle programma, was waanzin. Ook al omdat niet iedereen fit was en we niet genoeg tijd hadden om ons erop voor te bereiden. Het kan best zijn dat ik de totale belasting daarvan heb onderschat. Anderzijds moeten de clubmensen accepteren, dat topsporters altijd en eeuwig op het randje werken. Als trainer duw je tegen een bepaalde grens aan, je probeert de speelsters daar overheen te jagen. Dan moet je ook niet klagen wanneer je speelsters van pure vermoeidheid niet altijd optimaal presteren. Of als ze af en toe niet goed draaien in de competitie.”

Ach, vervolgt Goedkoop, clubmensen kijken nu eenmaal anders naar de belastbaarheid van atleten dan bondscoaches. Hij zegt het achteloos, maar de ergernis ligt vlak onder de oppervlakte. Hij weet dat er met argusogen op hem wordt gelet. Verlangt hij niet te veel van de internationals? Laat hij ze wel heel? Kunnen ze het overvolle programma wel aan? Pept hij ze wellicht op met preparaten die het daglicht niet kunnen velen?

Het probleem is, zucht Goedkoop, dat we in Nederland nog niet veel ervaring hebben met trainingsweken van 30 uur. In echte volleyballanden is het de gewoonste zaak van de wereld dat speelsters worden uitgewrongen tot ze er halfdood bij neervallen. Zeker in een pre-Olympisch jaar, waarin alles op alles gezet moet worden om deelname aan de Spelen af te dwingen. “Wij zijn met een experiment bezig: in hoeverre kunnen clubs en het nationaal team met elkaar samenwerken? Zodra verschillende partijen besluiten samen te werken, ontstaan er conflicten. Daar ontkom je niet aan en het is ook helemaal niet erg. Tenslotte zijn het alleen maar machtsspelletjes: wie controleert het nationaal team? Het is alleen wèl zaak om die conflicten en spelletjes binnenskamers te houden. Zodat de speelsters er zo min mogelijk last van hebben.”

Na het behalen van de Europese titel werd Goedkoop luid bejubeld als de coach die het Nederlandse volleybal voor het eerst in de geschiedenis een gouden medaille had bezorgd. De euforie duurde niet lang. “Een week of drie”, zegt Goedkoop lichtelijk cynisch. Daarna werd hij al snel afgeschilderd als de man die de internationals uitperst als een citroen. En die er vermoedelijk ook niet voor terugschrikt om zijn meiden doping toe te dienen.

Het zijn kletspraatjes, waar Goedkoop niet van opkijkt. Sterker nog: hij had niet anders verwacht. Hij zou pas raar hebben opgekeken als er na zijn succes geen wanklank gevallen was. Als iedereen hem schouderklopjes was blijven geven en hem doorlopend had verteld wat een geweldige coach hij was. “Het is typerend voor Nederland, dat er hoegenaamd geen respect is voor topsport en topprestaties”, zegt hij bitter. “Drie weken na het Europees kampioenschap, toen de internationals voor het eerst weer bij elkaar kwamen om te trainen, was het al duidelijk. Er zijn mensen die het niet kunnen laten om krassen te maken op onze gouden medaille. Mensen die niet met ons succes om kunnen gaan, doen hun uiterste best om de glans er af te halen. Ik wist van tevoren dat dat zou gebeuren en had de speelsters er ook op voorbereid. Wees beducht voor tegenslag, hield ik ze voor. Als je het moeilijk hebt, bedenk dan maar waar je het allemaal voor hebt gedaan.”

Modder

Goedkoop laat de “modder”, zoals hij het noemt, gelaten over zich heen komen. Wat er over hem beweerd wordt, laat hem sowieso koud. “Ik verkeer in de gelukkige omstandigheid, dat ik van niets en niemand afhankelijk ben. Ik heb geen kinderen, geen hypotheek, niks. Als ik de pest in krijg, zit ik over drie weken gewoon met een vishengel in mijn hand in Nieuw-Zeeland. Dat is de reden waarom ik dit soort vervelende dingen best aankan. Ik zie wel waar het toe leidt. Eén ding weet ik zeker: in Nederland heb ik mijn langste tijd gehad.”

Goedkoop wel, maar zijn speelsters niet. En dat zit hem wèl dwars. Dat ze hem proberen te pakken, is tot daar aan toe, maar van zijn internationals moeten ze afblijven. Want conflicten kosten energie en dat gaat ten koste van de prestatie. “De internationals zijn full profs. Financiën, huis, vervoer, studie: alles is uitstekend voor ze geregeld, zodat ze zich nergens zorgen over hoeven te maken en optimaal kunnen presteren. Dan hebben wij, de clubs en ik, als taak om te zorgen dat de speelsters hun aandacht alleen maar bij die prestaties hoeven te houden. Wij kunnen er bijvoorbeeld voor zorgen dat de sfeer goed is. Hoe beter het basisgevoel is, des te sneller zijn de problemen, die van buitenaf op ons afkomen, weg.”

En het basisgevoel is gelukkig goed, merkt Goedkoop tevreden op. “De speelsters komen graag naar de trainingen en ze maken plezier. Onze filosofie is, dat je trots moet kunnen zijn op je team. De kern van het team kan de aandacht zo goed op de prestaties richten, dat het randgebeuren naar de achtergrond verdwijnt. Anderen hebben daar meer moeite mee, maar dat zijn er gelukkig maar een paar. Over het algemeen zijn ze door de jaren heen redelijk gehard, omdat ze altijd onder moeilijke omstandigheden hebben moeten presteren.”

Nu de topsport is losgekoppeld van de bond (NeVoBo) en is ondergebracht in de stichting Top Volleybal Nederland (TVN), heeft de bondscoach er zelf ook weer plezier in. “We weten in Nederland nog steeds niet waar we volleybal moeten plaatsen. Daarom is het heel belangrijk dat TVN de komende jaren de kans krijgt om te functioneren. Dat bepaalt hoe volleybal in de toekomst afgerekend kan worden. Topsport moet bij de bonden worden weggehaald. In Nederland gaat dat heel moeilijk, omdat de bonden hun speeltje niet kwijt willen. Daarom heb ik groot vertrouwen in deze structuur. Ik weet dat andere sporten er met argusogen naar kijken. Als het ons lukt, dan brengen ook zij een scheiding aan tussen bond en topsport.”

Bert Goedkoop kijkt naar buiten. De wolken hangen laag. Mensen lopen te kleumen. “Moet je nou toch kijken”, wijst hij. “Daar krijg je het toch Spaans benauwd van? Het is hier koud, vol en vies. Hoe ik het hier uithoud? Ach, ik blijf dit werk doen zolang ik me nuttig en zinvol voel. Ik haal mijn plezier uit het contact met mijn speelsters. En ik ga nu maar weer terug naar de training. Daar doe je het tenslotte voor. Want een bal in je handen . . . iets mooiers is er niet.”

mailIcon print |