Waarom nemen sommige scholeksters genoegen met een tweederangs plek om te broeden? Hoe 'redden' ze dat, vanuit evolutionair oogpunt bekeken? Vijf jaar geleden promoveerde bioloog Bruno Ens op het antwoord. Nog steeds bestudeert hij de prominente bewoner van het wad, nu bij het Instituut voor bos- en natuuronderzoek op Texel. Binnenkort valt hij in de prijzen.
Bij zijn huidige werkgever, het Instituut voor bos- en natuuronderzoek op Texel, wordt de deadline echter steeds voelbaarder. Weliswaar heeft Ens er zijn oorspronkelijke onderzoek voortgezet, maar het instituut, onderdeel van de Dienst landbouwkundig onderzoek van het ministerie van landbouw, visserij en natuurbeheer, moet verzelfstandigen. Dat betekent: korte projecten, onderzoek in opdracht van derden dat brood op de plank moet brengen. En dat komt zijn eigen studie, naar de carrièreplanning van de scholekster, niet ten goede. “Dit onderzoek heeft een lange adem nodig. Als ik wil weten of de scholekster lijdt onder de kokkelvisserij in de Waddenzee, kan ik niet over één nacht ijs gaan. Dat vergt jaren van onderzoek.” Voor dat lange-termijnonderzoek van de scholekster ontvangt Ens op 21 maart de Nederlandse Zoölogieprijs 1997.
De scholekster is een prominente vogel op het Nederlandse wad. Niet alleen verblijft hij er alle zomers en niet al te strenge winters, hij valt ook goed op tussen zijn veelal grijsbruine mede-wadlopers. Hij heeft iets ober-achtigs, zoals Koos van Zomeren schreef. Het lijkt een Hollandse pinguïn, maar dan wel een op hoge rode poten en met een al even rode lange snavel. En wie daar geen oog voor heeft, wordt wel getroffen door zijn agressieve gedrag. De scholekster ligt voortdurend in de clinch met zijn soortgenoten. Vervaarlijk hakkend of schel schetterend; de struggle for life is dagelijks werk voor de vogel.
Niet verwonderlijk, ben je als leek geneigd te denken. Goede broedplaatsen zijn dun gezaaid op het wad. Aán het wad, beter gezegd, want de ideale plek voor een scholekster om zijn nest te bouwen ligt op de droge rand van de kwelder, tegen het wad aan. Het scholeksterpaar dat daar zijn territorium heeft, kan het kroost meenemen om voedsel te gaan zoeken. Ouders op tweederangsplaatsen, een stukje verder de kwelders op, zijn heel wat slechter af. Zij moeten voortdurend af en aan vliegen om hun jongen te voeren. Dat is zo vermoeiend dat de ouders er vaak de brui aan geven vóór ze alle jongen groot hebben.
Dat zijn de watjes, denkt de leek, de slappelingen die zich van de eerste rij hebben laten drukken. Voor de bioloog is het vreemd dat ze het daar uithouden. In termen van evolutie zouden deze 'sufferds' moeten zijn weggeselecteerd.
Ook Ens verbaasde zich over deze 'wippers', zoals hij ze noemde: op en neer wippend tussen kwelder en wad. Nee, dan de 'hokkers', op hun florissante plekje blijkt het broedsucces drie tot vier keer zo groot. “Toch zijn de hokkers niet sterker of slimmer, of uitgerust met een krachtigere snavel. Waarom zitten die wippers dan op de slechte plekjes, vroegen wij ons af.”
Een paartje dat een mooi territorium heeft, keert daar elk broedseizoen op terug. Elke scholekster weet welk plekje van wie is en aan die eigendomsrechten wordt niet getornd. Ens: “Het is als het bioscooppubliek dat na de pauze terugkeert in de zaal. Iedereen gaat weer op zijn eigen stoel zitten. Niemand haalt het in zijn hoofd een betere plaats in te pikken, of die nu gemarkeerd is met een jas of niet.”
Nou ja, bijna niemand. Scholeksters die hun stekkie nog moeten veroveren, azen wel op andervogels goed.
En dus zitten deze vogels de hele dag te etteren. Voortdurend belagen ze het gewenste territorium, zodat de eigenaar hen weer moet verjagen. Ze vliegen in formatie laag over het broedveldje om te peilen waar de zwakke plekken zitten. 'Soosvogels', noemt Ens ze, omdat ze bij hoog water hun getreiter staken en zich verzamelen op een duin. Als een stelletje randgroepjongeren op hun soos.
Toen Ens dit gedrag een tijdje had gevolgd, zag hij de oplossing voor het vraagstuk van de wippers en de hokkers. “Een jonge scholekster moet aan het begin van zijn carrière kiezen: word ik een hokker of een wipper? Beide opties hebben hun voors en tegens. Het broedsucces van de wipper is slecht, maar hij kan meteen aan de slag. Hokker worden is veel populairder, maar dat betekent ook dat daar een lange wachtrij voor bestaat. Een hokker ligt dus een aantal broedsels achter als hij een territorium verovert. Hij kan even wachten - scholeksters kunnen wel veertig jaar oud worden, maar de helft van de hoopvolle hokkers komt nooit aan de beurt.”
Die twee strategieën zijn op Schiermonnikoog in balans: een wipper heeft gemiddeld over zijn leven evenveel kans op nakomelingen als een hokker. En aangezien dát, de grootte van het nageslacht, het evolutionaire succes bepaalt, heeft de soosvogel een reële keuze: wippers zijn geen tweederangs scholeksters, het is een ander levensvervulling met hetzelfde resultaat als het hokkerbestaan.
Dat is de theorie waar Ens vijf jaar geleden op promoveerde. Hoewel, niet helemaal: het lijkt of een soosmannetje en een soosvrouwtje elkaar eeuwige trouw beloven en samen proberen een leuk broedplekje te veroveren. In werkelijkheid is het sociale leven van de scholekster ingewikkelder. Echtelieden plegen overspel, weduwen en weduwnaren stoken in een goed huwelijk, hebberige stellen palmen het erf van de buren in. Kortom, scholeksters zijn net mensen.
Deze intriges waren Ens al in 1992 bekend, maar na zijn promotie heeft hij zich beziggehouden met de vraag wat hun relatie is met de strategieën van de vogels. “Het lijkt erop dat de soosvogels aan het begin van het broedseizoen inventariseren of er gaten zijn gevallen die ze kunnen opvullen, terwijl ze later in het seizoen als koppel optrekken.”
Zeker weet hij dat niet, net zo min als hij nu al het antwoord kan geven op de grote vragen: wat betekent de individuele carrièreplanning van een scholekster voor de totale groep? Hoe ontstaat een nieuwe groep, aan welke eisen moet een territorium voldoen, is dat van invloed op de verhouding tussen wippers en hokkers? Komt er een moment dat een aantal soosvogels de wachtrijen de rug toekeert en elders zijn heil zoekt?
Wat Ens wél weet, is dat de scholekster het liefst blijft zitten waar hij zit. Alleen als de winter streng is en de waddenbodem bevriest zodat de kokkels onbereikbaar worden, verkast hij. Maar waarheen? Naar Zeeland, zoals vroeger? Daar is niets meer te vreten voor hem. Naar de zuidwestkust van Frankrijk dan maar? Ook niet zo'n goede keus, want daar wachten de jagers. Ens: “Die risico's kent de scholekster niet. Wij wel: na de vorige winter keerde een kwart van de vaste bewoners niet terug. Dat zal na de laatste vorstperiode niet beter zijn. We weten echter niet goed wat de risico's voor de scholekster hier zijn.”
De wetenschapper Ens zou dat graag uitzoeken. Hij wordt gedreven door de vraag waarom dingen zijn zoals ze zijn. Probeert modellen te construeren die zijn waarnemingen verklaren. Dat is zijn kracht, daarom krijgt hij de zoölogieprijs. Maar de Bruno Ens van het instituut op Texel krijgt ook andere vragen. Zijn werkgever, het ministerie, wil graag weten of er gevist kan worden in de Waddenzee. En wat dat inhoudt voor de scholekster.
Het ministerie verwacht eind dit jaar een rapport. Vermoedelijk zit de kern daarvan al in zijn hoofd. In elk geval menen anderen het te kennen. Nadat hij geroepen heeft dat door de visserij de laatste mosselbank van de Waddenzee is verdwenen en het noodrantsoen van de Zeeuwse delta is geplunderd, denken de vissers genoeg te weten. Maar toen hij voor een symposium ook vissers wilde uitnodigen, plaatste hij zich in een kwaad daglicht voor de natuurbeschermers.
Ens houdt zijn kruit nog droog. “Eind dit jaar is voor mij het uur van de waarheid. Dan moet ik met een verhaal komen. En dan kan ik mij niet verschuilen achter de bekende 'wetenschappelijke onzekerheden'. Eigenlijk vind ik ook dat ik een antwoord moet kunnen geven. Ik kijk al zo lang naar die beestjes. Als ik het nog niet weet, wie dan wel?”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.