Antoine Mooij is hoogleraar forensische psychiatrie aan de universiteiten van Utrecht en Groningen en is verbonden aan het Pieter Baan Centrum. Een forensische psychiater onderzoekt op verzoek van de rechter of een dader toerekeningsvatbaar was toen hij het misdrijf pleegde. Dat onderzoek vindt plaats in het Pieter Baan Centrum. Mooijs onlangs verschenen boek 'Psychiatrie, recht en de menselijke maat' gaat over toerekeningsvatbaarheid, verantwoordelijkheid en vrijheid. Het beweegt zich in het grensgebied van psychiatrie, recht en wijsbegeerte. Een gesprek over narcisme, tbs en het hermeneutisch mensbeeld.
“Bij gestoord crimineel gedrag is heel vaak sprake van een onderliggende narcistische problematiek.” Dit schrijft Antoine Mooij in zijn onlangs verschenen boek Psychiatrie, recht en de menselijke maat.
Wat is precies een narcistische problematiek? Mooij legt uit dat een zekere mate van narcisme, van eigenliefde, normaal en noodzakelijk is. “Dat narcisme is een constante in het menselijk bestaan en is ook helemaal niet verwerpelijk. Je vindt jezelf op een bepaalde manier toch geweldig en dat kan ook moeilijk anders. En je moet ook bewonderd worden. Je moet door je ouders ook bewonderd zijn, dat is nodig voor een beetje stabiel zelfgevoel. Bij delinquenten met een ernstige persoonlijkheidsstoornis komt het regelmatig voor dat ze veel te weinig bewonderd zijn, dat ze verwaarloosd en getraumatiseerd zijn. Ze voelen zich vaak als oud vuil behandeld. Vanuit dit gebrek aan narcistische stimulering ontwikkelen ze, ter compensatie, vergaande grootheidsideeën. Zo van 'wie doet me wat'. En dat is potentieel gevaarlijk.”
“Grootheidsideeën hebben verschillende consequenties, afhankelijk van het algehele psychiatrische beeld waarin ze zich voordoen. Neurotici geven zichzelf de schuld dat de vermeende grootheid niet wordt waargemaakt, wat kan leiden tot depressies. Mensen met psychopathische trekken geven juist de omgeving de schuld dat hun grootheidswaan niet uitkomt. Bij psychotici heeft het besef van eigen beperktheid helemaal geen verankering gekregen, waardoor ze gevangen zijn in een complete waan. Mensen die zich schuldig hebben gemaakt aan ernstig crimineel gedrag, en een stoornis hebben, behoren meestal tot de psychopathische, en soms tot de psychotische categorie.”
Volgens Mooij is de postmoderne samenleving als geheel ook narcistisch gekleurd, al leidt dat lang niet altijd tot gestoord crimineel gedrag. “Veel mensen hebben last van een instabiele zelfwaardering waarbij ze zichzelf afwisselend waardeloos en geweldig vinden. Ze zijn overmatig betrokken op zichzelf, kunnen zich moeilijk aan anderen binden, maar hechten wel een overdreven belang aan wat anderen van hen vinden. Ik schrijf dat toe aan de complexiteit van de samenleving. In een eenvoudige samenleving met minder interactie en vastere rollen is men minder gericht op de waardering door de ander dan in onze complexe samenleving. 'Doe ik het wel goed in de ogen van de ander' is een meer prominente, maar ook een meer relevante vraag geworden dan vroeger. Onze samenleving is sterk competitief en daarmee, via het mechanisme van de afgunst, ook sterk narcistisch.”
“Het heeft misschien ook te maken met een element van verwaarlozing en verwenning in de samenleving. Kinderen krijgen vaak hun zin om ze zoet te houden, maar worden als persoon veronachtzaamd. De bevrediging van behoeften verstikt het verlangen naar erkenning als zelfstandig mens. Dit is de keerzijde van de autonomiegedachte: het laissez faire, de gedachte 'dit zijn mijn verantwoordelijkheden, daar moet ik het bij laten'.
Dit betekent overigens niet dat Mooij de autonomiegedachte als vrucht van de Verlichting laat varen. “De sterke nadruk op autonomie kan leiden tot egoïsme, tot een gebrek aan solidariteit. Maar als je dan teruggaat op een klassieke denker als Kant dan zie je dat autonomie ook respect voor de autonomie van de ander en verantwoordelijkheid voor de ander inhoudt. Bij Levinas zie je dat nog veel sterker. De verantwoordelijkheid waarmee hij ons wil belasten, is verpletterend. Ik pleit ervoor naast de macht van het egoïsme en het ethische verlangen van betekenis te zijn voor de ander, een derde sfeer te onderscheiden: die van het recht, die met beide andere is verbonden. Het recht concretiseert het zedelijk fundament van de rechtsstaat: respect voor de ander en daarmee bescherming van de onmachtige. Het biedt niet alleen bescherming tegen de medeburger, maar ook tegen de overheid, tegen elke gelijkschakeling waarin de onmachtige, de Ander die anders is, niet wordt gerespecteerd en daarmee 'gedood'.”
Mooij heeft veel te maken met mensen die psychisch en in hun gedrag sterk afwijkend zijn en daardoor in een extreem onmachtige positie verkeren. Het Nederlandse strafrecht kent een glijdende schaal van volledige, via enigszins verminderde, verminderde en sterk verminderde toerekeningsvatbaarheid, tot volledige ontoerekeningsvatbaarheid. Wanneer de psychiater een verminderde toerekeningsvatbaarheid constateert dan betekent dat meestal strafvermindering. Mooij: “Minder toerekeningsvatbaar betekent minder schuld en dus een minder zware straf. Maar dat kun je niet mathematisch berekenen. Daar bestaat geen omrekeningstabel voor. En die moet er ook niet komen. Het lijkt alsof je met tabellen en richtlijnen de gelijkheid dient, maar in feite creëer je ongelijkheid omdat je geen rekening houdt met de verschillende persoonlijke omstandigheden. Je moet niet alleen kijken naar w t iemand heeft gedaan, maar ook naar wíe het heeft gedaan en in welke context. Een diefstal uit geldgebrek is heel wat anders dan een diefstal uit sensatielust. De grote aandacht in Nederland voor de individuele dader verdiept de gelijkheid juist.”
De strafvermindering bij verminderde toerekeningsvatbaarheid gaat meestal gepaard met het opleggen van een behandeling als voorwaarde bij een straf, of met terbeschikkingstelling (tbs). “Dat ligt aan de ernst van de stoornis en aan de doorwerking van die stoornis in het gedrag.” Tbs is gedwongen verpleging met een behandelaanbod dat de betrokkene kan aanvaarden of verwerpen. Deze maatregel is onder criminelen berucht omdat ze in tegenstelling tot een gevangenisstraf onbeperkt verlengd kan worden. Daardoor duurt de vrijheidsbeneming door tbs soms veel langer dan de wettelijke maximum-vrijheidsstraf voor het delict. “Hier zit een spanning tussen de klassieke richting in het strafrecht, die alleen de ernst van het delict wil vergelden, en de Nieuwe Richting die meer oog heeft voor de persoon van de delinquent. Beide richtingen hebben een goede kant die recht moet worden gedaan, en daarom moet je met tbs heel voorzichtig omgaan.”
De opkomst van de Nieuwe Richting aan het begin van deze eeuw, heeft de forensische psychiatrie sterk gestimuleerd. Mooij noemt het paradoxaal dat de grotere aandacht voor de persoon van de verdachte als doel had de samenleving doeltreffender te beschermen tegen gevaarlijke personen: meer aandacht voor het individu omwille van collectieve beveiliging. “In de tbs komt die paradox tot uitdrukking: een hoog individueel zorgniveau in een potentieel totalitair perspectief. Er is een enorme bemoeienis met het voelen, denken en doen van tbs-gestelden. En het kan heel lang duren. Vooral bij zedendelicten is er een grote discrepantie tussen een vrijheidsstraf van een relatief beperkt aantal jaren en een heel langdurige tbs”.
Mooij worstelt steeds met het probleem dat de conclusie 'ontoerekeningsvatbaar' leidt tot ontslag van rechtsvervolging, waardoor de autonomie van de veroordeelde wordt 'weggeschreven'. “Daar heb ik inderdaad soms moeite mee. En je kunt ook niet eindeloos verfijningen aanbrengen. Je moet ook praktisch zijn en categoriseren. Maar ik sta in die afweging meer aan de kant van de vrijheid en toekennen van verantwoordelijkheid. En dat hangt samen met mijn mensbeeld, met de hermeneutische richting binnen de psychiatrie die ik aanhang.”
De hermeneutiek heeft binnen de psychiatrie een minderheidspositie, maar dat is zeker niet het geval binnen de forensische psychiatrie. “De forensische psychiater heeft uiteindelijk niets aan de statistische regelmatigheden en rubriceringen van de natuurwetenschappelijke psychiatrie. Zij moet een interpretatie geven van het gedrag van een individu en nagaan of dat gedrag is verbonden met een psychische stoornis. De vraag is of het delict de uitdrukking is van die stoornis. En dat is ook de kern van de hermeneutische psychiatrie. Ook daar ligt de nadruk op het verband tussen innerlijkheid en uiterlijkheid. De delinquent is meer dan anderen geneigd de verantwoordelijkheid voor zijn gedrag, maar ook voor zijn eigen leven, af te schuiven. De hermeneutische therapeut beklemtoont de eigen verantwoordelijkheid. Het uiteindelijke doel is het doen aanvaarden van de eigen beperkingen, grenzen en eindigheid. Bij delinquentie gaat het immers om de miskenning van die eigen grenzen en daarmee ook die van het slachtoffer.”
Delinquenten die echt geen tbs willen, kunnen eraan ontkomen door zich consequent te verzetten tegen het onderzoek naar de mate van toerekeningsvatbaarheid. Mooij: “Dat komt inderdaad voor. Je hebt nu eenmaal iemands medewerking nodig om hem te leren kennen. Als hij geen boe of bah zegt, dan is er ook niets over hem te zeggen. Als de rechter ervan overtuigd is dat de dader een stoornis heeft, kan hij toch tbs opleggen. Maar dat komt weinig voor. Ik vind het niet verkeerd dat verdachten die vrijheid wordt gelaten. De samenleving kan ook beveiligd worden door een langdurige detentie.”
Tbs-gestelden kunnen zich ook verzetten tegen behandeling. Mooij wijst er echter op dat het onderscheid tussen verpleging en behandeling vloeiend is: “Ik heb wel meegemaakt dat mensen die zich constant tegen behandeling verzetten, toch gezonder werden: door de verpleging, door het boksen met de instelling en doordat ze de structuur van het bestaan in de inrichting verinnerlijken. Door een goede verpleging kun je mensen soms zover krijgen dat ze medicatie accepteren. Aan de persoonlijkheid van psychotische mensen is bijvoorbeeld niet zoveel te veranderen, maar ze kunnen met medicatie wel tot een aanvaardbaar risico worden gebracht.”
Er ligt een voorstel om tbs-gestelden voor wie verdere behandeling geen zin heeft, in long stay-afdelingen tegen lagere kosten alleen nog maar te verplegen. Mooij: “Bij mensen die een gevaar blijven opleveren voor de samenleving, kan ik me voorstellen dat je de zorgintensiteit vermindert. Ook nu is er een aantal mensen die niet zullen terugkeren in de vrije samenleving. Zij hebben levenslang, hoewel dat nooit zo uitgesproken wordt. Maar ik vind het geen goed idee om voor hen aparte afdelingen te creëren. Het is voor henzelf en ook voor het personeel beter om hen te spreiden. Voor personeel is het erg slijtend om alleen maar verzorging te bieden. Helemaal opgeven is voor niemand goed.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.