*

 
dossier

Archief

Achterhalen besmet vlees is vrijwel onmogelijk

MARIEKE VAN MAAREN − 25/01/97, 00:00

Koeien reizen nogal wat af, zo bleek uit het verhaal van het Galloway-rund, dat misschien wel met BSE besmet was. Het dier werd geboren in Schotland, vertrok naar Duitsland en werd na een verblijf van een jaar in Nederland geslacht. Maar vallen de roots van een rund nog altijd te achterhalen, bij het vlees ligt dat een stuk moeilijker. Het zal waarschijnlijk nooit duidelijk worden wie na augustus vorig jaar een hapje van het beruchte Galloway-rund hebben gehad.

Alle koeien in Nederland moeten twee flappen in de oren hebben. Geimporteerde koeien krijgen die alleen als ze over een gezondheidscertificaat van het land van herkomst beschikken. Dit papier is opgesteld door de veterinaire dienst van het betreffende land. Er moet instaan dat het dier gezond is en van een ziektenvrije boerderij komt.

De Nederlandse veterinaire diensten controleren de certificaten steekproefgewijs. Dan wordt een bezoek gebracht aan de boerderij waar de koe vandaan komt.

Sinds augustus 1989 mogen Britse runderen die voor juli 1988 zijn geboren, het land niet meer uit. Per 1 maart 1990 mogen alleen kalveren het land nog uit, die mogen echter niet ouder worden dan zes maanden.

Als de koe eenmaal over de gele oormerken beschikt, heeft zij ook een nummer. Door dit in te voeren in de computer, is altijd te achterhalen waar het dier vandaan komt en wie de ouders zijn. Hier staat echter alleen het laatste land waar het dier heeft gewoond in vermeld. Om achter eerdere verblijfslanden te komen moet de registratie in dat land worden onderzocht.

Als het laatste uur voor de koe heeft geslagen, wordt zij nogmaals gecontroleerd. Bij de slachterij moet het dier over twee gele flappen en het juiste nummer beschikken, anders moet de eigenaar veertienhonderd gulden betalen.

Na controle van het oormerk worden de koeien eerst levend op algehele fitheid gecontroleerd. Een dierenarts en een keurmeester letten dan extra op gedrag dat op BSE kan duiden, zoals evenwichtsstoornissen en agressief gedrag. Constateren ze iets vreemds, dan wordt de koe onmiddellijk apart gezet en naar een speciale slachtplaats afgevoerd. Nadat het dier is gedood, worden de ingewanden en de hersenen nauwkeurig bekeken. Alle afwijkingen moeten in de slachtgegevens gedocumenteerd woren, zodat het mogelijk is later informatie terug te vinden.

Ook van de koeien die bij de eerste, levende keuring gezond lijken, worden het vlees en de ingewanden na de slacht nogmaals bekeken. Vindt men alsnog afwijkingen, dan worden er monsters genomen. Deze worden in het laboratorium nader onderzocht. Blijkt het vlees niet geschikt voor menselijke consumptie, dan mogen dieren het soms wel eten. Een deel van het afgekeurde vlees is voor de leeuwen in de dierentuin. Maar soms is het zo slecht, dat ook dieren er niet meer van mogen eten. In zo'n geval hoort geen stukje vlees in de voedselketen terecht te komen.

Hoewel de overheid en de Rijksdienst voor de keuring van vee en vlees (RVV) het uitsluiten, bestaat er een kans dat er toch BSE-vlees in de handel is gekomen. Dan moet er bij het slachten zijn gerommeld. Maar waar is dan het besmette vlees terecht gekomen?

Vlees krijgt geen keurmerk of nummer waarmee de herkomst in één keer is te achterhalen; de blauwe stempels geven alleen aan dat het is goedgekeurd. Als de koe door een zelfslachtende slager wordt gekocht, dan komt al het vlees bij die ene slager terecht en is het nog vrij gemakkelijk te achterhalen.

Maar veel vlees wordt via grossiers over winkels verdeeld. Deze handelaren kopen vee op en laten het slachten. Het slachthuis levert hen vervolgens de in twee stukken gezaagde koe en de huid. Dan begint het uitbenen, waarna de koe in de 'technische delen' uiteen wordt gehaald. Dat zijn de stukken vlees voor de slager. Deze gaan direct van de grossierderij naar de winkel.

Welk deel van welke koe waarheen gaat, wordt niet altijd bijgehouden, zodat het doorgaans onmogelijk is te achterhalen waar eventueel besmet vlees is beland. Er zijn echter ook enkele bedrijven die iedere partij die de deur uit gaat, wel een registratienummer geven. Op deze manier is het slachthuis waar het dier is gedood, nog te achterhalen.

Naast de eetbare delen, blijven nog een hoop andere stukjes koe over, die voor allerlei doeleinden worden gebruikt. Van de botten wordt gelatine gemaakt, wat weer in talloze andere producten zit. Met de darmen worden worsten omwikkeld. Het pure vet gaat naar de vetsmelterij, waar er oliën en vetten voor onder meer magarine van worden gemaakt. De huid gaat naar de leerindustrie. Longen, lever, hart en hersenen zijn bestemd voor dierenvoer. En de overgebleven delen - ogen, hoeven en horens - worden naar een destructiebedrijf gebracht. Hier worden ze onder zeer hoge temperaturen verbrand. Volgens deskundigen hoog genoeg om verdere besmetting met BSE uit te sluiten. Dat is heel belangrijk want de as wordt uiteindelijk weer in koeienvoer verwerkt.

mailIcon print |