*

 
dossier

Archief

Zorg voor emancipatie meer dan lippendienst?

TITIA VAN LEEUWEN − 07/02/96, 00:00

De auteur is lid van de Emancipatie Advies Raad van Amsterdam en werkzaam bij Vrom/Milieubeheer.

Het is te gemakkelijk om alles te wijten aan een visieloos ministerie en een inmiddels sterk afgezwakte emancipatiegolf. Het is meer een zoekend en worstelend ministerie, even zoekend en worstelend als de op het gebied van emancipatie actieve maatschappelijke organisaties en instanties. Want met emancipatie is momenteel hetzelfde aan de hand als met het milieu: het is een beetje 'uit'. De politiek is, na de aandacht ervoor in de jaren zeventig, beide onderwerpen moe: men denkt dat het inmiddels wel geregeld is, of zou moeten zijn. Men geeft prioriteit aan zaken als asielbeleid, werkgelegenheid, drugsbeleid of herzieningen van de sociale zekerheid.

Politie

Maar 'geregeld' zijn milieubeheer en emancipatie nog lang niet. Neem als voorbeeld de politie, waar na vijf jaar emancipatiebeleid het aantal vrouwelijke personeelsleden lager is dan daarvoor. Om nog niet te spreken van het doordringen van politievrouwen in de leidinggevende posities. Daarmee is het even slecht gesteld als bij de meeste andere instanties. Maar ondanks het feit dat de taakstelling niet bereikt is wordt de emancipatiecommissie van de politie nu opgeheven. Hetzelfde geldt voor de landelijke Emancipatieraad en andere, meer lokale, emancipatievoorzieningen.

Neem als ander voorbeeld het gebruik van de auto. Het aangrijpen van deze heilige koe die voor veel milieuvervuiling zorgt, blijkt in de praktijk tot niets te leiden. Het autogebruik groeit nog steeds, evenals de daarmee samenhangende vervuiling.

Een veranderende maatschappij vraagt om een veranderende inzet van beleid. De regels moeten niet meer voornamelijk 'van boven' opgelegd worden en de eigen verantwoordelijkheid moet ruimte krijgen. De milieu- en emancipatiebewegingen staan voor de opgave hun strategieën aan te passen. Beide bewegingen zijn hard nodig waar politiek en maatschappij het laten afweten.

Integratie

De landelijke overheid vindt dat voor de beleidsvelden milieu en emancipatie geen aparte aandacht meer nodig zou zijn. Zowel emancipatie- als milieu-aspecten zouden opgenomen moeten worden in de verschillende andere beleidsterreinen. Dit is op zich een positieve ontwikkeling, waarbij integratie en verinnerlijking van beleid centraal staan.

Het milieudepartement wordt ingekrompen en krijgt een beperkte taakstelling. Er wordt momenteel een reorganisatie doorgevoerd die moet leiden tot zo'n 22 procent minder ambtenaren na 1998. In de periode tot 1998 moeten met name de 'verdwijnende' ambtenaren bewerken dat andere maatschappelijke instanties - en zeker de andere departementen - daadwerkelijk zelf zorg gaan dragen voor het milieu. Dit laatste kan wat lastig worden waar ook de andere departementen zich gaan terugtrekken op hun 'kerntaken'. De vraag is of 'milieubeheer' daar altijd wel bij gerekend wordt.

Eenzelfde ontwikkeling is zichtbaar bij het directoraat coördinatie emancipatiebeleid bij het ministerie van sociale zaken en werkgelegenheid. De wijze waarop dit directoraat zal voortbestaan, staat al lange tijd ter discussie. En ook hier kan de vraag gesteld worden welke andere ministeries, buiten dat van sociale zaken en werkgelegenheid, emancipatie tot hun kerntaken rekenen en vooral zullen blijven rekenen en daaraan meer eer bewijzen dan lippendienst.

De overblijvende taak van het milieuministerie zou gericht moeten worden op het monitoren van de voortgang met het milieubeleid bij de 'anderen' en het op grond daarvan signaleren van ongewenste ontwikkelingen. Eenzelfde taak wordt in de koersbepaling van Melkert aan een interdepartementaal coördinatiepunt emancipatie toegedacht. Meten hoe het gaat en zonodig signaleren waar er iets misgaat.

In deze sfeer is de koers voor het toekomstig emancipatiebeleid opgesteld. Het is een produkt van de huidige tijdgeest, ontdaan van alle vroegere elan en daadkracht. Het is daarmee wellicht een realistisch verhaal. Een realisme dat ook in het milieuministerie doordringt, waarbij aan draagvlak voor beleid langzamerhand een hogere waarde wordt toegekend dan aan de precieze formulering van normen en realiseringsdata daarvan. Een realisme echter, waarbij het beleid, bij een te scherpe doorvoering, kan omslaan in zijn tegendeel. Waar niemand zich meer direct verantwoordelijk voelt voor milieu of emancipatie, stagneren de ontwikkelingen en komt de weg terug snel in zicht. Waar geen centrale aansturing en verantwoordelijkheid is georganiseerd, verdwijnen impulsen en verwateren taken en verantwoordelijkheden. Bovendien zijn ook beleidsvelden als milieu en emancipatie onderhevig aan een voortdurend maatschappelijk debat met steeds veranderende normen en waarden. Een beleid is niet op een bepaald moment 'klaar' en hoeft dan alleen nog maar uitgevoerd te worden.

Er is dus heel wat te doen voor de maatschappelijke bewegingen en niet te vergeten bij beleid en politiek. De emancipatie- en milieubewegingen moeten de handen ineenslaan op zoek naar een aan deze tijd aangepaste strategie en tactiek. Minder opgeheven vingers en meer aangaan van de discussie en overleg met de verschillende actoren. Op lokaal niveau zijn de laatste jaren al voorbeelden van samenwerkingsverbanden van de verschillende bewegingen ontstaan.

Het directoraat coördinatie emancipatiebeleid zou systematischer en directer moeten gaan aansluiten bij de maatschappelijke werkelijkheid en die ook binnenshuis halen. Op dit gebied kan men leren van de vorderingen bij het milieudepartement in het betrekken van de buitenwereld bij het beleid en het aanpassen van instrumenten, van 'regelend' naar meer 'voorwaarden scheppend'.

Voor beide geldt echter dat voor het bevorderen van de eigen verantwoordelijkheden bij 'anderen' een wellicht beperkte, maar toch centrale aansturende verantwoordelijkheid nodig blijft.

mailIcon print |