*

 
dossier

Archief

Geen heldenrol voor r.-k. kerk in Rwanda

TON CRIJNEN − 16/04/94, 00:00

Ian Linden: Church and revolution in Rwanda. Manchester University Press, 1977 J. J. de Wolff: Sociaal-economische aspecten van de invloed van de katholieke missie in Oost-Afrika. Uit Missie en ontwikkeling in Oost-Afrika. Ambo, 1983 Rik de Gendt: De kerk die Zweeg. Knack, 14-11.1990

Met een aartsbisschop, mgr. Vincent Nsengiymva van Kigali, die zich ontpopte als marionet van de onlangs omgekomen president Habyarimana - de kerkleider was bijna tien jaar lid van het centraal comite van de (Hutu-)eenheidspartij MRND tot Rome hem dat in 1985 verbood - en een kerkelijke hierarchie die in grote meerderheid opviel door slaafse ondersteuning van het regime kon de rooms-katholieke kerk niet fungeren als verzoenende factor. En dat in een land waar 56 procent katholiek is.

Zo verhieven de bisschoppen nooit hun stem als Habyarimana het met de mensenrechten niet zo nauw nam en hielden ze zich de afgelopen jaren strikt afzijdig toen de stammenstrijd tussen Hutu's en Tutsi's opnieuw in hevigheid toenam, wat honderden doden en duizenden vluchtelingen tot gevolg had.

Doorn in oog

Dit stilzwijgen was een doorn in het oog van de nog in het land aanwezige missionarissen, voornamelijk Witte Paters, die vonden dat de kerk zich op het gebied van schending van mensenrechten duidelijker diende uit te spreken. Ze werden in hun kritiek gesteund door een minderheid van de zwarte clerus, Hutu's, en door het Vaticaan dat bij monde van zijn nuntius, mgr. Bertello, er bij de president keer op keer op aandrong het bewind te democratiseren en meer speelruimte in te bouwen voor de Tutsi-minderheid. Dat maakte hem bij het Hutu-bewind niet populair. Dat deed liever zaken met de aartsbisschop.

Het is veelzeggend dat mgr. Nsengiyumva noch enige andere Rwandese bisschop openlijk heeft geprotesteerd tegen de recente moordpartijen door Hutu-extremisten, waarvan ook priesters, religieuzen en katecheten het slachtoffer zijn geworden. De kerkelijke hierarchie heeft daarom veel uit leggen als de Tutsi's aan de macht komen.

Wat de Witte Paters betreft, historisch gezien hadden die flink boter op het hoofd. De Societeit der Missionarissen, zoals ze officieel worden genoemd, hebben immers vanaf het moment dat Belgie het koloniale bestuur in Rwanda van de Duitsers overnam, een politiek gesteund en mede in praktijk gebracht, waarbij de Tutsi-minderheid (9 procent van de bevolking) systematisch werd bevoordeeld boven de Hutu-meerderheid (90 procent).

Dit beleid is er mede oorzaak van dat een meerderheid van de Rwandese katholieken zich nu slechts met moeite kan vinden in een situatie waarbij zeventig procent van de priesters en religieuzen uit leden van de Tutsi-minderheid bestaat.

Hutu-kerk

Toen de Witte Paters rond 1900 in Rwanda arriveerden, troffen ze er een maatschappijstructuur aan waarbij de Tutsi's (veetelers, herders) de Hutu-meerderheid (boeren) overheerste. Getrouw aan de officiele missioneringstaktiek van hun orde die voorschreef dat je eerst de leiders moest zien te bekeren, dan volgde de rest vanzelf, probeerden de missionarissen de Tutsi's voor het christendom te winnen.

Tevergeefs. Tot ver in de jaren twintig hadden de Tutsi's niets op met de nieuwe religie waarvan ze het 'heb uw naaste lief' slecht vonden rijmen met hun eigen martiale ideologie. Hun koningen, die van de Duitse machthebbers in hoge mate de vrije hand kregen, waren daarom slechts bereid de Hutu's voor christelijke missionering vrij te geven.

Zo werd de r.-k. kerk een Hutu-kerk, waarvan de gelovige achterban profiteerde van de scholingsmogelijkheden die de missie bood.

De Belgen die sinds 1924 Rwanda in naam van de Volkenbond bestuurden, zetten aanvankelijk hun kaarten op deze beter geschoolde Hutu's, maar moesten al snel zwichten voor de obstructiepolitiek van de hechter georganiseerde Tutsi's die ze wel hun politieke macht hadden ontnomen maar die dominant bleven binnen de sociale hierarchie.

Toen bleek dat de r.-k. kerk via haar missiescholen kon zorgen voor de vereiste kwalificaties voor een carriere binnen het koloniale apparaat kregen de Tutsi's plotseling interesse in het eerst zo versmade katholicisme. Met name de leiding zag de kerk als middel om haar privileges veilig te stellen. Men meldde zich en masse om te worden gedoopt.

Al had men de kerkleiding aanvankelijk wel wat twijfels over de oprechtheid van de nieuwe bekeerlingen, het feit dat hiermee de leidende klasse werd binnengehaald, de koning voorop, vergoedde veel. In de periode 1932-'36 steeg het aantal katholieken van 83 000 tot 233 000, hoofdzakelijk Tutsi's. Zo werd in ruim tien jaar tijd (1932-'45) een geheel uit Hutu's bestaande kerk omgevormd tot Tutsi-kerk.

Dat zou op zichzelf nog niet zo erg zijn geweest als de Witte Paters hadden vastgehouden aan de hoge idealen van gelijkheid en christelijke broederschap waarmee zij de Hutu's naar zich toe hadden gelokt. Die zagen hierin de kans zich binnen het kader van de kerk te emanciperen en zich maatschappelijk te ontworstelen aan de eeuwenlange discriminatie door de Tutsi's.

Het mocht echter niet baten. Spoedig kon men blanke ( A. Pages, 1933; Chanoine de Laeger, 1939) en zwarte (Alexis Kagame, 1938) priesters horen beweren dat het Hamitische (Tutsi-)element in de bevolking op godsdienst-historische en biololgisch-genetische gronden superieur was aan het Bantu (Hutu-)element, en dat de Tutsi's een culturele en historische roeping bezaten die de Hutu's misten. Witte Paters die zich verzetten tegen deze racistische ideologie kregen een enkele reis Europa. Zo werd de weg geplaveid voor een dominante positie van de Tutsi's in een kerk waar de Hutu's steeds meer werden weggedrukt.

Kerk en (koloniale) staat liepen decennia lang hand in hand waar het de discriminatie van de Hutu-meerderheid betrof. De Hutu's werden even stelselmatig uit de betere functies in het kerkelijk apparaat geweerd als uit het burgerlijk administratieve bestuur. En op de missiescholen kwamen er voor Tutsi's aparte klassen, waar meer geld naar toe ging en betere leerkrachten.

De jaren vijftig kenmerkten zich, wat de kerk betreft, niet alleen door groeiend verzet van autochtone priesters tegen de dominante positie van de Witte Paters, maar ook door een beleid dat er naar streefde de kerkelijke ambten meer open te stellen voor Hutu's. Dat leidde tot spanningen met de Tutsi-meerderheid binnen de clerus; spanningen die tot op de dag van vandaag voortduren. Daar tussendoor speelden pogingen van de kerkleiding, de zwarte katholieke intelligentsia te vrijwaren van stammentegenstellingen. Een nobel streven dat mislukte, mede door gebrek aan geloofwaardigheid van de r.-k. kerk.

Al snel ontwikkelde zich aan beide kanten een versterkt etnisch bewustzijn dat de oude controverses alleen maar aanscherpte. Met name aan Hutu-kant zette men zich steeds meer af tegen de eeuwenlange dominantie door de Tutsi's. Dat leidde eind 1959 tot onlusten waarbij vele honderden Tutsi's werden gedood, in 1961 gevolgd door het omverwerpen van de (Tutsi-)monarchie. Een jaar later droegen de Belgen de soevereiniteit over aan de Hutu's die een poging van de Tutsi's de macht te heroveren afsloegen.

De kerk verkeerde inmiddels in de weinig benijdenswaardige positie dat ze door geen van beide partijen werd vertrouwd. De Hutu's zeiden dat de kerkleiding in 1959 de kant van de Tutsi's had gekozen, terwijl de Tutsi's vonden dat de kerk juist te weinig had gedaan om het bloedbad te verhinderen. Hoewel dit laatste niet waar was, is het wel een feit dat de leiding van de kerk politiek achter de Hutu's stond.

Die constateerden echter dat, in scherpe tegenstelling tot de burgersamenleving waar Tutsi's uit alle leidinggevende functies werden gegooid, kerk en r.-k. school meer dan ooit onder Tutsi-dominantie bleven. Dit was een van de redenen waarom het nieuwe regime van president Kayibanda de invloed van de kerk in het onderwijs (en de gezondheidszorg) begon in te perken. In 1973 deed een studentenrevolte de rest. Zo werd de kerk ingehaald door de polarisatie die ze zelf had helpen bestendigen en legitimeren.

mailIcon print |