*

 
dossier

Archief

George Puchinger - een mateloos historicus

Jan Kuijk − 17/09/99, 00:00

Het is niet zo gemakkelijk de woensdag op 78-jarige leeftijd overleden historicus George Puchinger te plaatsen binnen de historische bedrijfstak in Nederland. Daar is hij te grillig-romantisch, te chaotisch voor, hoezeer hij zelf - stilzwijgend, dat wel - tegen dit karakteristiek zou protesteren als hij daar kennis van kon nemen.

Maar voor ik verder ga, moet eraan worden herinnerd dat de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen hem in 1996 de Akademiepenning uitreikte, een onderscheiding die op heel wat deugdelijker gronden wordt gegeven dan de onderscheidingen die in de Nederlandse Staatscourant worden afgedrukt.

De lof van de Akademie gold Puchingers magnum opus 'Colijn en het einde van de coalitie' - een even karakteristieke als misleidende titel. Dit driedelige standaardwerk is vóór alles een uiterst minutieuze beschrijving van de kabinetsformaties en -crises in het interbellum, en dat allemaal geconcentreerd rondom de door Puchinger zeer bewonderde Colijn.

Een niet te ontkomen werk voor wie werkelijk de parlementaire geschiedenis tussen 1918 en 1939 wil bestuderen, maar tegelijk ook een uiterst moeizaam te bestuderen werk, juist door de gedetailleerdheid. ,,Een goudmijn'', karakteriseerde een recensent een van de delen, maar die lof kan ook als kritiek worden opgevat. De lezer moet zelf het geduld opbrengen de goudmijn te exploreren, want Puchinger is mateloos in het aandragen van ruw materiaal en half-fabrikaten. Hij kon, eenvoudig gezegd, niet selecteren.

Een voorbeeld: het verslag over de kabinetscrisis van 1925/1926, bekend als de 'Vaticaancrisis', krijgt van Puchinger in het tweede deel een 'inleiding' van 150 pagina's, plus 150 pagina's eindnoten, in kleine letter. Een boek op zichzelf, maar wie de moeite neemt dat allemaal te lezen, weet daarna alles, maar dan ook volstrekt alles over de politieke en religieuze verhouding van Nederland tot het Vaticaan in de loop der eeuwen.

Ik vind daar, bij alle bewondering, toch ook iets tragisch in, want in het voorwoord geeft Puchinger zijn boek als motto een gedicht van Boutens mee: Zorg als een wijs man voor een schoon verhaal! Dat getuigt van een gebrek aan zelfkennis, want aan dit motto gemeten, voldoet het werk niet. Wie er kennis van wil nemen, moet het boek op de werktafel leggen, het hoofd in de handen steunen en dan stug doorbijtend studeren. Kennis nemen van 'een schoon verhaal' is een meer ontspannen bezigheid.

De verwijzing naar Colijn in de titel van dit werk is ook kenmerkend voor Puchinger. Hij hoort tot het romantische slag dat de geschiedenis graag terugbrengt tot het verhaal van de grote mannen, die in het openbaar getreden zijn en het daar gemaakt hebben. Uit die karaktertrek moet ook verklaard de indrukwekkende, in een tiental banden gebundelde reeks interviews met allemaal grote tijdgenoten, die hij in de jaren zestig hield ter voorbereiding op de jaarlijkse reünistencongressen van de calvinistische studentenvereniging SSR. Ook van die bundels geldt dat daar heel veel materiaal opgeslagen ligt, maar alweer: overdadig en in heel wat gevallen volstrekt vormloos. Wie bijvoorbeeld wil weten waarom Anton van Duinkerken een bepaald gedicht niet in zijn verzamelde werken heeft opgenomen of hoe de gang van zaken was bij zijn benoeming op de Vondel-leerstoel aan de Leidse universiteit, kan Van Duinkerkens eigen verhaal terugvinden in 'Is de gereformeerde wereld veranderd?' Je moet, als je Puchinger wilt volgen, dit soort dingen wel allemaal weten.

Het hoort bij Puchingers beeld van de geschiedenis dat hij ook graag en veel bewondert. Hoe vaak heb ik hem Idenburg (Kuypers grote vriend en jongere tijdgenoot) niet horen karakteriseren als 'de père noble van de Anti-revolutionaire partij' en elke keer hoorde ik bij dat Franse woord weer die lichte, emotionele trilling in zijn stem.

Het is die bewondering voor grote mannen die hem vorig jaar is opgebroken toen uit Herman Langevelds biografie van Colijn het verwijt opklonk dat hij Colijns euveldaden in Lombok en Atjeh verzwegen had. Voor zover ik Puchinger kende, begrijp ik dat wel. Maar evenzeer verbaast het me. Uitgerekend over Colijns deels terughoudende, deels snoeverige verslag in zijn brieven uit Indië kan juist een historicus het een en ander opmerken als bijdrage aan de kennis van Colijns karakter.

Puchinger had daar kennelijk geen behoefte aan, zoals hij ook in de beknopte biografische schets die hij aan de historicus/indoloog/dichter Gerretson/Gossaert wijdde, wel nauwkeurig de datum noemt waarop Gerretson voor het eerst naar de kleuterschool ging (en dus zijn wetenschappelijke carrière begon?), maar zoiets ongeregelds als een echtscheiding en andere moeilijkheden thuis en op de zaak verheimelijkte. Op dit punt is Puchinger zichzelf trouw gebleven.

Schrijven over Puchinger brengt onvermijdelijk met zich mee dat de naam Gerretson valt. Alle verhoudingen in het oog houdend, durf ik het toch wel aan Puchinger op een paar punten met de door hem mateloos bewonderde leermeester te vergelijken: in hun kijk op het verleden, hun conservatisme, hun grilligheid, hun veelzijdigheid. Het zou mij bijvoorbeeld niet verbazen als straks uit de nalatenschap van Puchinger, behalve zijn memoires, ook nog een complete dichtbundel wordt opgedolven. Zoiets hoort helemaal bij hem.

Als illustratie van Puchingers veelzijdige belangstelling (en zijn mateloosheid): zijn dissertatie uit 1969 begeleidde hij met maar liefst 31 stellingen, waarvan er twaalf betrekking hebben op de geschiedenis en elf op de theologie. Vijf stellingen zijn voor de literatuur en dan is er ook nog wat strooigoed over onder andere het interview en de taxichauffeur. Laten we die laatste stelling even citeren, want die lijkt me karakteristiek. ,,De inkomens der taxichauffeurs dienen zodanig verbeterd te worden dat het verplicht geven van fooien onnodig is''. Dat herinnert me eraan dat ik George Puchinger nog nooit in de stad op de fiets of in bus of tram ben tegengekomen. Ik heb me wel eens afgevraagd of hij de echte wereld wel kende - of zijn bewondering voor grote mannen en hun daden hem juist niet van de wereld afsloot.

De laatste jaren waren voor hem, vooral in fysiek opzicht, erg moeilijk. Hij moest zich terugtrekken in een verpleeghuis en afstand doen van zijn gigantische bibliotheek, die is aangekocht door de universiteit van Princeton in de Verenigde Staten. Het enige wat hij had meegenomen naar het verpleeghuis, was zijn verzameling van de Perzische dichter Omar Khayyam. Zal hij daar gelezen hebben het kwatrijn (in de vertaling van H.W.J.M. Keuls)?

Ik zocht de kennis, die den geest ontgint, en zaaide 't zaad der wijsheid, doch wat vind

Ik voor mijn oogst? niet meer dan deze woorden:

,,Ik kwam als water en vertrek als wind.''

mailIcon print |