Er komt maar één kleur voor in het hele boek. Op pagina 34, weet Vincent Bijlo uit het hoofd. “Dan krijgen de kinderen op het blindeninstituut voor het eerst versgebakken patat. Een jongetje dat slechtziend is, vertelt aan de rest van de groep dat de patatten 'bruin' zijn. Hij moest weer eens tonen dat hij kon zien.”
Vincent Bijlo was al cabaretier, hij reist het land door met zijn zesde solo-voorstelling. Maar Bijlo wil meer. Schrijver worden is het volgende doel. De eerste blinde schrijver van Nederland, al is dat geen streven op zichzelf. “Er zijn toevallig geen andere blinde schrijvers”, zegt Vincent Bijlo (32). “Zo word ik vanzelf de eerste.” Die ene Friese, blinde dichter die een bundel schijnt te hebben gepubliceerd, is hem onbekend.
Deze week verscheen Bijlo's eerste roman, 'Het instituut', waarin hij zijn jeugd beschrijft op het 'Koninklijke instituut tot onderwijs van blinden' in Bussum. Otto, het elfjarige blinde jongetje uit het boek, begrijpt niet wat hij doet op het instituut, het zit er vol debielen: “Als je het zootje zo bij elkaar zag, zou je zeggen dat blind zijn iets met je hersens deed. Ik kan me al hun namen, al hun stemmen, al hun onzinnige geklets en al hun nare geuren nog tot in de kleinste details herinneren.”
Pas halverwege begint het ook de lezer op te vallen dat stemmen, geklets, geuren voor Otto de enige 'beelden' zijn. Niet alleen kleuren ontbreken, ook gezichten, lichamen, ramen, lampen, de overkant van de straat.
Vincent Bijlo was vier jaar, toen hij door zijn ouders op het instituut werd afgeleverd en dertien, toen ze in overleg besloten dat hij net zo goed naar een gewone middelbare school kon gaan. Zo kwaad als Otto was hij niet. “Ik heb het geluk gehad dat ik niet intern hoefde. Mijn ouders verhuisden naar Bussum, zodat ik alleen overdag op het blindeninstituut hoefde te zijn. Mijn oudere broertje zat er al. Wij hadden nog een thuis. Maar Otto staat voor veel andere kinderen die ik er kende. Sommigen gingen vanaf hun vierde maar één keer per maand naar huis. Als je ouders in Drenthe woonden, zat er niets anders op. Die kinderen waren nergens geborgen. Het instituut probeerde ons wel goed op te vangen. Het personeel deed zijn best. Maar hun aandacht was professioneel. Een instituut is iets kunstmatigs.”
“Blind zijn was het enige dat ons bond. Maar zelf vonden we die blindheid niets bijzonders. Ik snapte ook toen al niet waarom ik alleen daarom naar een speciale school moest. We kregen te horen dat we er werden voorbereid op de gewone wereld. Pas na lange jaren van oefening zouden we daar klaar voor zijn. Maar ik kende de gewone wereld toch al, thuis? Ik heb mijn jaren op het instituut achteraf als behoorlijk zinloos ervaren, zelfs al heb ik er ook veel leuke dingen meegemaakt. Het schrijven van het boek is een afrekening, misschien niet om mijn eigen trauma's - want die vallen wel mee. Ik heb een meer algemene kwaadheid over hoe de samenleving lange tijd met blinde kinderen is omgegaan. Tegenwoordig krijgen blinde kinderen thuis les in braille en stoklopen en gaan ze in principe naar een gewone school. Zo hoort het.”
Bijlo had achteraf graag Jules de Corte willen ontmoeten. “Die is in zijn jeugd nog geslagen en echt gekleineerd door de paters van zijn internaat. Een blinde moest dankbaar zijn. Mijn generatie heeft het daarbij vergeleken een stuk beter gehad. Maar ook met ons is het niet altijd goed afgelopen. Een oud-klasgenoot van me, een heel slimme jongen, werkt nu in een sociale werkplaats. Daar wind ik me over op.”
Op het instituut leerde Vincent Bijlo braille, stoklopen, piegten en regletten (schrijven met een braille-apparaat), abacus-rekenen, soep eten uit een bord, fietsen, een ei bakken. Hij haalt er met andere kinderen het gewone kattekwaad uit, zoals belletje trekken. Helaas ziet hij soms niet dat er een paar meter achter hem een leraar staat die hem gadeslaat. Een typisch geval van blindenhumor à la Bijlo in het boek is de scène waarin hij tijdens het hooggeëerde bezoek van de Surinaamse president aan het instituut een geintje uithaalt. Vincent/Otto mag laten zien hoe goed hij braille kan schrijven. Hij tikt alleen maar schuttingwoorden, maar leest voor aan de president: “Ik heb geschreven dat ik het erg fijn vind dat u er bent.”
Maar hij leerde in Bussum uiteindelijk vooral om zijn handicap zoveel mogelijk te verbergen. Dat leidt in het boek soms tot hilarische situaties, zoals seksuele voorlichting door middel van het bevoelen van anatomisch correcte Oost-Duitse geslachtsdelen. Of het examen stoklopen, na vijftig lessen. Otto weet niet dat ook gewone mensen bij ijzel niet verder lopen. Ferm stapt hij door. “Het instituut probeerde ons op te leiden tot zienden. Wat we niet konden zien, moesten we toch kennen. Dat ging heel ver, al is het verhaal over die les seksuele voorlichting deels verzonnen. Ik weet alleen dat ze die poppen hadden. Daar waren we natuurlijk heel nieuwsgierig naar.”
“Het ideaal was: net doen of je niet blind was. Ik heb zelfs de mimiek aangeleerd van een ziende. Een beetje om je heen kijken als je op straat loopt, handgebaren maken tijdens het spreken. Brommer rijden of autorijden wilde ik ook per se leren. Dat leek met het toppunt van stoerheid. Het was niet alleen kicken om op die brommer héél langzaam het pad langs het internaat af te rijden. Het was meer dan dat. Ik heb zelf ook veel te lang het ideaal nagestreefd om net alsof te doen. Het duurde lang voor ik er achter was dat het nergens op slaat. Mijn nieuwe motto is: doe nooit iets wat je niet kan. Je kunt je als blinde de pleuris integreren, maar je blijft blind. Het leven is een stuk makkelijker geworden sinds ik me er bij kan neerleggen dat ik sommige dingen niet kan, of even aan anderen moet vragen. Ik noem dat 'het elfde inzicht.' Mijn eigen versie van de Celestijnse belofte. Grapje.”
Of het bezoek zelf de koffie wil inschenken en hij lust ook wel een bakje.
Hij liep al jaren met het plan om een boek te schrijven. Bijlo studeerde na zijn middelbare school Nederlands en had toen zelfs plannen om van de literatuur zijn vak te maken. “Literair journalist wilde ik worden. Daar bleek ik achteraf niet zo geschikt voor te zijn. Maar wat is gebleven, is de wens om ooit een boek te schrijven. Zoals anderen misschien dromen van een wereldreis. En nu het af is, denk ik al aan een tweede boek.”
'Het instituut' kwam er dankzij de computer. Op de harde schijf van Bijlo's pc paste het hele manuscript in braille. Hij kon een willekeurig stuk tekst oproepen en bewerken. Onder het toetsenbord van de pc zit een brailleregel, met metalen puntjes die in steeds andere lettercombinaties omhoog springen. Zo leest hij ook de krant of een boek.
Zonder computer had hij de tekst op de piegt moeten schrijven, een apparaat met zes toetsen waarmee je zelf de deuken in het braillepapier moet slaan. “Ik had dag in dag uit achter die klotepiegt moeten zitten. En als je één fout zou maken, kon je de bladzij overnieuw beginnen.” Van 'Het instituut' is wel een versie op braillepapier verschenen. Het bescheiden boek is dan vijf banden dik. De 'gewone' uitgave heeft brailletekens op de cover, maar wie denkt dat daar de titel vermeld staat, heeft het mis. “Meer zeg ik niet”, grijnst Bijlo.
Zijn vrouw Mariska las alle teksten, voor het manuscript naar de uitgever ging. Bijlo was vooral benieuwd wat zij als niet-blinde vond van het perspectief van de roman. “Alles is geschreven vanuit het perspectief van een blinde. Ik heb heel consequent in mijn geheugen gegraven. Het is bijna een reconstructie. Als Otto weet hoe iets eruit ziet, weet hij dat nooit zomaar. Hij heeft het gevoeld, hij is er over gestruikeld, iemand heeft het hem verteld. Ik wist nog verbijsterend veel details. Toen ik drie jaar geleden even terug was op het instituut, bleek ik er zelfs de weg nog te kennen, ik laveerde feilloos langs de zandbak waar je zo gemeen je schenen aan kon stoten. Bijna beangstigend.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.