AMSTERDAM - Protesten van BNA-voorzitter Carel Weeber zijn nog niet vernomen, maar het blijft opvallend dat de musea de laatste jaren voor de verwezenlijking van hun nieuwbouwplannen zo vaak architecten uit het buitenland halen. Dat leidt meestal tot spektakel: van newMetropolis (Piano) tot het Groninger Museum (Mendini met De Lucchi, Starck en Coop Himmelblau), van Boijmans in Rotterdam (Daem en Robbrechts) tot het Bonnefanten in Maastricht (de inmiddels overleden Rossi) gaat het om oogstrelende en smaakmakende architectuur.
Wat dat betreft zal Amsterdam aan de nieuwbouw aan het Stedelijk nog op de koffie komen: de Portugees Alvaro Siza werkt weliswaar in een exotische stijl, maar hij kiest, zo is de ervaring, doorgaans voor een weinig opzienbarende presentatie.
De aandacht voor het buitenland komt na een periode waarin uitsluitend vraag naar Nederlandse architecten was. Wim Quist kon zich ontplooien als een uitermate deskundig architect op museumgebied, zijn naam was gemaakt nadat hij Kröller-Müller op de Hoge Veluwe en het Noord-Brabants in Den Bosch van een nieuwe aanbouw had voorzien en een nieuw onderkomen voor het Museon in Den Haag alsmede het Cobra Museum in Amstelveen en Beelden aan Zee in Scheveningen had ontworpen. Inmiddels heeft ook Hubert-Jan Henket zich ontwikkeld als een door grote kwaliteit gekenmerkte ontwerper. Met het Van Beuningen-paviljoen van Boijmans, de vernieuwbouw van het Singer in Laren en Teylers in Haarlem bouwt hij aan een indrukwekkend oeuvre. Met allure werkte ook Jan Vonk voor het Joods Historisch in Amsterdam en Ben van Berkel (Rijksmuseum Twenthe Enschede), terwijl de naam van Jo Coenen evenmin onvermeld mag blijven (Stadsgalerij Heerlen, Nederlands Architectuurinstituut Rotterdam) net als die van Eric van Egeraat (Natuurhistorisch Museum Rotterdam). Rem Koolhaas zette in Rotterdam de Kunsthal neer, wat geen museum is, maar wel een ruimte voor het tonen van kunst.
Een recente uitzondering op de trits buitenlanders in de Nederlandse museumbouw moet gemaakt worden voor het Stedelijk Van Abbe in Eindhoven, dat Abel Cahen al enkele jaren geleden verkoos om op een omstreden plek een, inmiddels al flink bijgesteld plan, te ontwikkelen.
Het blijft echter een opmerkelijk feit dat Nederlandse architecten in de recente plannen voor nieuwe musea buiten schot blijven. Opmerkelijk is ook dat de weinige architecten van internationale allure nooit in staat werden gesteld aan hun niet geringe oeuvre een musuem toe te voegen. Aldo van Eyck zag zijn pogingen om in Middelburg het Karel Appelmuseum te bouwen, stranden op een hem schofferende gemeenteraad. Herman Hertzberger en Jan Hoogstad, om twee architecten te noemen die grootschalig denken, konden nooit een museum ontwerpen.
Nu worden keuzes voor een bepaalde architect vaak op persoonlijke gronden gemaakt. Het is bekend dat Stedelijk-directeur Fuchs goed kan opschieten met Siza. Haks in Groningen was dat met Mendini, Dercon in Rotterdam roemt zijn landgenoten Robbrecht en Daem hogelijk. Een directeur van een ziekenhuis in Alkmaar vertelde me eens dat hij tot de keus van de architect van de nieuwbouw was gekomen, nadat hij een groot aantal van zijn favorieten had gesproken. Degene met wie hij het best zake kon doen en voor wie hij de meeste sympathie koesterde, werd vervolgens met de opdracht belast. Uiteraard volgens de regels van het spel, maar de keus was tevoren een uitgemaakte zaak.
Museumdirecteuren tonen tegenwoordig voorkeur voor Zuid-Europees exotisme. Siza is een Portugees, Piano, Rossi, De Lucchi en Mendini zijn Italianen, Philippe Starck een Fransman. Opmerkelijk is dat Amerikanen in Nederland altijd buitenspel staan: Robert Venturi werd in Amsterdam met onzakelijke en vooral leugenachtige verwijten weggestuurd. Frank Gehry, de meest spectaculaire architect van dit moment (denk aan het Vitra Museum in Weil am Rhein en het Guggenheim in Bilbao) en zijn landgenoot Richard Meier (Barcelona, Los Angeles) worden in Nederland genegeerd.
Dat laatste zou erop kunnen wijzen dat er aan de keus voor een bepaalde architect vooral mentale overwegingen ten grondslag liggen. In de strijd om de aandacht van het massabezoek mag een museum best spectaculair ogen (Groningen trok alleen op grond van het uiterlijk van het gebouw in het eerste jaar tienduizenden bezoekers), maar het gebouw moet zich toch vooral voegen in de opvattingen van de bespelers. Niet elke architect is in staat een gebouw te ontwerpen waar het grote publiek zich thuisvoelt én waar tegelijkertijd een goede bedrijfsvoering kan worden toegepast. Klassieke voorbeelden daarvan zijn Rem Koolhaas en Wim van Krimpen. De laatste ontmoet in zijn Kunsthal in toenemende mate een trits van fouten die het publiek eerder afschrikt dan aantrekt (de ronduit onvriendelijke ontsluiting van de entreehal, de vrouwenhaat die middels de geroosterde etagevloeren wordt geëtaleerd). Maar Koolhaas was in de tijd dan ook niet de keus van de directeur.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.