*

 
dossier

Archief

Het dilemma van de economische groei bestaat gelukkig niet

BRAM VAN DER LEK − 08/02/97, 00:00

De sociaal-democratie kán het vanwege haar ideële doelstellingen niet zonder economische groei stellen, was de uitdagende stelling van Marcel ten Hooven in een artikel in Letter & Geest van vorige week. Bram van der Lek gelooft er niets van. De auteur is bioloog, oud-lid van de Tweede Kamer en het Europese parlement, en was o.m. voorzitter van de Vereniging Milieudefensie.

Dat is helaas maar al te waar. Het geldt trouwens niet alleen voor de PvdA maar voor het gehele kabinet: van duurzaamheidsbeleid hebben ze geen flauwe notie. Maar de suggestie dat dit zou voortkomen uit een of andere economische of electorale noodzaak, dat er een soort dwangpositie zou bestaan waardoor met name “de sociaaldemocratie niet anders kan dan zich verbinden met economische groei”, zoals Ten Hooven in zijn artikel betoogt, is naar mijn mening volstrekt onjuist.

Dat maakt het enerzijds des te erger dat het toch gebeurt, maar daar staat tegenover dat er gelukkig geen sprake is van enige onontkoombaarheid. Wanneer een meerderheid van de leden van de paarse partijen het zou eisen, zou de koers bij wijze van spreken van de ene dag op de andere kunnen worden verlegd, zonder dat dat enig kwalijk gevolg hoeft te hebben: nóch voor de economische positie van Nederland, nóch voor de electorale positie van de betreffende partij. Ik ben zelfs geneigd om aan te nemen dat zowel de ene als de andere zaak er eerder door bevorderd zou worden. Een regering die ernst maakt met duurzaamheid bevordert het belang van de wereld, maar ook van het eigen land, en een partij die zich daarvoor inzet wint aan aanzien bij alle weldenkende mensen in het land, en dat zijn er meer dan die partijen zelf schijnen te denken.

Er zijn twee peilers onder het artikel van Ten Hooven die mijns inziens weersproken moeten worden. De eerste is de gedachte dat “de pretentie van maakbaarheid van de samenleving alleen waar (te) maken (is) in een economie die daarvoor dankzij groei de financiële middelen oplevert.” Dat denken waarschijnlijk inderdaad mensen als minister Kok en minister Wijers (naar ik vrees inclusief de rest van het kabinet). Maar het is niet waar.

Er wordt nog altijd akelig slordig omgesprongen met het begrip economische groei. Economische groei in technische zin betekent gewoon de (procentuele) toename van het nationaal inkomen, of als we het over grotere eenheden hebben, het federaal inkomen (van de EU bijvoorbeeld) of het wereld inkomen. Het is de enige grootheid die enigszins exact gemeten kan worden: gewoon een kwestie van optellen. Vandaar dat hij ook zo enthousiast gebruikt wordt.

Maar het is allang duidelijk, en vrijwel iedereen is het er ook over eens, dat dat nationaal inkomen niet zo'n goede maat is voor de welvaart van een land, laat staan dat het aan zou geven of zo'n land goed bezig is met het oog op de toekomst. Daarvoor moet je allerlei andere dingen weten: Wat is de inkomensverdeling in dat land? Wat gebeurt er met de natuurlijke hulpbronnen? Hoe groot is het beslag dat op buitenlandse hulpbronnen wordt gelegd? Hoe worden de negatieve gevolgen van productie en consumptie opgevangen? Enzovoort.

Daarnaast maakt het een groot verschil of economische groei gegenereerd wordt door intensieve en vervuilende productie, door zwaar en milieubelastend verkeer of door relatief schone dienstverlening. Waarbij we overigens niet in de fout moeten vervallen te denken dat er dienstverlening bestaat die geheel zonder milieubelasting kan worden verricht. Wel zal duidelijk zijn dat de groei van een diensteneconomie wat betreft duurzaamheid anders gewogen moet worden dan een productie- of verkeerseconomie.

Een derde slordigheid is dat de economische groei vaak gelijkgesteld wordt met technische en inhoudelijke vooruitgang. Dat leidt dan tot het misverstand dat er zonder economische groei (dus in een situatie dat er niet ieder jaar méér verdiend wordt) geen vooruitgang meer zou kunnen zijn. Dat dat niet waar is, is gemakkelijk in te zien. Wanneer door technische verbeteringen auto's (of wasmachines of iets anders) tweemaal zo zuinig worden, wordt er voor die nieuwe auto's tweemaal minder energie gekocht, en dat bedrag gaat áf van het nationaal inkomen. Natuurlijk alleen zolang er niet tweemaal zoveel auto's worden gekocht of tweemaal zoveel kilometers gereden. En dat is wat maar al te vaak gebeurt. Maar in principe is vooruitgang zónder groei heel goed denkbaar.

Daarom is de uitgangsstelling van Ten Hooven ook niet juist. Er zijn legio vormen van 'maakbaarheid' die niets van doen hebben met economische groei in de zin van een toenemend nationaal inkomen. Het tot stand brengen bijvoorbeeld van een meer ecologisch verantwoorde productie (een en al vernieuwing!). Het tot stand brengen van een rechtvaardiger verdeling van inkomen, kennis en macht (om eens een klassiek sociaal-democraat te citeren!). Kortom: het sturen van de samenleving in de richting van waarachtige duurzaamheid. Dat zijn de opgaven die echte staatslieden, en zeker die van sociaal-democratische signatuur, zich zouden moeten stellen. Het zijn trouwens ook de opgaven waartoe onze regering zich in 1992 in Rio heeft verplicht.

Zo'n streven naar duurzaamheid (dat uiteindelijk alleen echt kan slagen in internationaal verband) betekent absoluut niet dat we de techniek zouden moeten afzweren. Integendeel, we zullen alle intelligentie, kennis en inventiviteit meer dan nodig hebben. Het betekent óók niet dat er nooit en nergens in de wereld meer doodgewone materiële productiegroei mag plaatsvinden. Er zijn nog legio gebieden in de wereld waar zulke groei onmisbaar is. Maar die liggen nu niet direct in West-Europa. Onze taak is echt een andere. En een fatsoenlijk excuus om daar niet aan te beginnen is er niet.

Middengroepen

Het meest centrale argument in het artikel van Ten Hooven is overigens een ander, namelijk dat de PvdA wel móet zorgen voor groei, omdat dat de enige manier is om de middengroepen aan zich te binden; en die middengroepen zijn onmisbaar (ik neem aan als aanhang) voor het voortbestaan van de partij. Nu valt dit argument eigenlijk in twee stellingen uiteen. Ten eerste de stelling dat de middengroepen een onmisbaar deel zijn van het electoraat van met name de 'sociaal-democratie'. Zoals Paul Kalma (Trouw 4 febr.) terecht al opmerkte, valt niet goed in te zien waarom dat alleen voor de sociaal- democraten zou gelden en niet voor andere partijen. In feite is er natuurlijk een behoorlijke concurrentie om delen van die middengroepen door bijna iedere politieke stroming. Bovendien hangt het er nogal vanaf hoe je het begrip 'middengroepen' of 'middenklasse' definieert. Als je het een beetje ruim neemt horen alle wat beter gesalarieerde industrie-werknemers, leraren, zorgverleners, bankemployé's, ambtenaren, en wat niet al, tot deze groep. Het is zeer de vraag of die allemaal samen bepaalde kenmerken gemeen hebben waardoor je zou kunnen vaststellen hoe je ze als kiezer aan je zou kunnen binden.

En daarnaast is er dan de stelling dat die middenklasse onmiddellijk zou afhaken van een beleid als er geen sprake meer zou zijn van een elk jaar te verdelen groei. Ten eerste vraag ik mij af waarom er zo de nadruk op wordt gelegd dat het juist de 'middenklasse' is waarvoor dat zou gelden. Ten tweede is mij niet duidelijk waarom “hogere lasten voor de burgers () onherroepelijk ten koste (zouden) gaan van de middenklasse.” Dat hangt er toch vanaf hoe je die lasten verdeelt? Dat je de minimum inkomens, die al zo schandelijk veel zijn achtergebleven, niet extra kunt belasten is duidelijk. Maar we hebben in Nederland toch ook nog de zeer rijken? Er zit toch ook nog iets bóven de middengroepen?

Een andere zaak is dat de beschikbare gegevens helemaal niet aangeven dat burgers, juist de wat meer welgestelde burgers, zo wars zouden zijn van wat extra kosten, als ze maar zeker weten dat daar werkelijke verbeteringen tegenover staan in de zin van milieukwaliteit, betere sociale verhoudingen, meer zorg voor een verantwoorde toekomst. De privé-uitlatingen van mensen en de resultaten van diverse opinieonderzoeken geven niet werkelijk voedsel aan de gedachte dat een duidelijke, op duurzaamheid gerichte politiek door een meerderheid van de bevolking niet zou worden aanvaard. Het is gewoon larie dat de huidige groeikoers iets is waar de bevolking om zou vragen. Die wordt ons door de strot geduwd.

En dat betekent dat ook in die zin de dwangpositie niet bestaat. Ik zou dan ook tegen Marcel ten Hooven willen zeggen: laten we samen blij zijn dat het schrikbeeld dat hij even voor zich zag, er niet is, en laten we er alles aan doen om deze paarse regering, of welke andere regering ook, ertoe te brengen zich eindelijk te richten op een minder desastreus beleid.

Den Uyl

Tenslotte nog iets over de opvattingen van Joop den Uyl. Een flink deel van het artikel wordt besteed aan een betoog waaruit zou moeten blijken dat de huidige opstelling van de PvdA geheel ligt in zijn lijn. Hij was, zo wordt gezegd, “een hartstochtelijk pleitbezorger van economische groei.” Er wordt een aantal citaten gegeven die dat onderstrepen. Het laatste daarvan is, voorzover ik kan nagaan, van 1968, uit een bespreking van het boek van Mishan 'The Costs of Economic Growth' in ESB van 24 april '68. Maar de geschiedenis is verder gegaan na 1968. Overigens is ook dat artikel over Mishan veel genuanceerder dan het gegeven citaat suggereert. Den Uyl geeft Mishan op verschillende punten gelijk. Hij spreekt ook in dit artikel al uitgebreid over maatschappelijke kosten en bepleit de toerekening daarvan aan producenten. En nog zo het een en ander. Maar wie hem ook in de jaren daarna gevolgd heeft, weet dat hij zeker na 1972, de Club van Rome, de oliecrisis etc., flexibel genoeg was om zijn opvattingen over groei verder bij te stellen. Het is m.i. dan ook ongeoorloofd om de Den Uyl van de naoorlogse jaren, waarin groei een onderdeel was van de wederopbouw, en er bovendien los daarvan ook in West-Europa nog veel armoede te bestrijden viel, gelijk te stellen met de politicus van later jaren. In 1978 schreef hij in een laatste hoofdstuk van de bundel 'Inzicht en Uitzicht' het volgende over 'selectieve groei', en daar wil ik mee afsluiten: “Het begrip (selectieve groei) beoogt de produktie van kapitaalgoederen en infrastructuur te begrenzen tot wat nodig is voor werkgelegenheid en handhaving min of meer van het bereikte levenspeil, terwijl opzet is de produktie van diensten, gemeten naar maatschappelijk nut, verder uit te breiden. Het behoeft nauwelijks betoog dat een dergelijk groeibegrip, consequent doorgedacht, moet leiden tot een heroriëntering van produktie en werkgelegenheid en zal leiden tot een geleidelijke stabilisatie van het beslag op schaarse grondstoffen.” Dit is toch wel iets anders dan het paarse credo van vandaag.

mailIcon print |