LEIDEN - Dat Nederland een grote maritieme historie koestert, is dagelijks te merken. De lotgevallen van grote zeevaarders zijn in brede kring bekend, er verschijnen regelmatige wetenschappelijke en minder geleerde studies over, elke voetbalfan kent Piet Hein en voor de kassa's van nagebouwde VOC-schepen staan voortdurend lange rijen. Die enorme belangstelling staat in schril contrast tot de aandacht voor de scheeps- en onderwaterarcheologie.
De informatie die in de modder van de Waddenzee, het IJsselmeer, de Zeeuwse kustwateren en de Noordzee ligt opgeslagen, is volgens de Alphense historicus en archeoloog Thijs Maarleveld echter zo groot en waardevol dat er veel meer onderzoek naar moet worden gedaan. Het aantal wrakken is overweldigend ('een echte hoorn des overvloeds'), het aantal incidenten waarbij plotseling scheepsresten aan de oppervlakte komen en de archeoloog aan de slag moet eveneens.
In plaats van zich te laten leiden door het toeval zou de 'natte archeologie' meer aandacht moeten geven aan thematische studies. Maarleveld (44), hoofd van de afdeling Archeologie onder water van de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB), doet dit pleidooi in zijn proefschrift over de onderwaterwaterarcheologie in Nederland, waarop hij vandaag aan de Rijksuniversiteit Leiden promoveert.
In zijn onderzoek maakt Maarleveld de balans op van de ontwikkelingen in de jonge sector. Hij werd in 1980 als niet-afgestudeerd historicus en archeoloog beleidsmedewerker op het toenmalige ministerie van CRM en was toen een éénoog in het land der blinden: de enige die zich op overheidsniveau bezig hield met de maritieme archeologie en al helemaal een unicum als ambtenaar, omdat hij zijn hoofd niet alleen in het zand maar ook geregeld onder water stak.
Van enige rijkszorg voor verdronken en gezonken overblijfselen kon je in Nederland met goed fatsoen nog niet spreken. Scheepswrakken waren net zo vogelvrij voor schatduikers als Salman Rushdie voor een Iraanse terrorist. Op het land waren monumenten inmiddels onderworpen aan een scala van beschermende maatregelen, voor het cultureel erfgoed dat zich onder water bevond golden heel andere wetten.
Eigenlijk interesseerde het 'Den Haag' destijds geen moer wat er met al die scheepswrakken gebeurde, die zich in Nederlandse wateren of daarbuiten lagen. Een duiker die zich bij de overheid meldde met een wrak dat hij ontdekt had en toestemming vroeg om het te mogen 'onderzoeken', werd doorverwezen naar het loket van het ministerie van financiën - afdeling dienst der domeinen. Daar had men alleen verstand van geldzaken en werd de duikconcessie dus verleend, mits er wel een bepaald percentage van de opbrengst aan de staat werd afgedragen.
Het bekendste voorbeeld is het wrak van de Oost-Indiëvaarder 't Vliegend Hert, dat voor de kust bij Vlissingen door een Engelse schatduiker werd leeggehaald. Van de duizenden gouden en zilveren munten die daar werden opgedoken, kreeg de Nederlandse overheid tien procent - de rest verdween in de zakken van de bergers.
“Een anomalie”, noemt Maarleveld die gebeurtenis uit het begin van de jaren tachtig, een uitzondering. Maar als ambtenaar was hij net zo geschokt als al diegenen die vonden dat de overheid het nationaal erfgoed 'verkwanselde'.
De discussie die destijds oplaaide, heeft de aandacht voor de onderwaterarcheologie gestimuleerd. In 1985 werd Maarleveld belast met het opzetten van een afdeling Archeologie Onder Water, die in 1990 werd ondergebracht bij de ROB. Na een verblijf in Alphen aan den Rijn verhuist die binnenkort naar het Nederlands Instituut voor scheeps- en onderwaterarcheologie (Nisa) dat in Lelystad verrijst: een locatie aan de waterkant, naast de replica van de zeventiende-eeuwse Batavia. De beste plek die een 'natte' archeoloog zich maar kan wensen, geeft Maarleveld toe.
Hij heeft gezocht naar een verklaring voor het grote verschil in belangstelling tussen maritieme geschiedenis en maritieme archeologie. “Een scheepsvondst is wel leuk en aardig, maar stelt de verwachtingen toch vaak teleur. Een wrak levert pas informatie op als je het naar z'n aard gaat bekijken. Je kunt het niet meteen een plaats in het geschiedenisverhaal geven. Je hebt er veel specialistische kennis voor nodig. Je moet weten hoe een schip in elkaar zit.
De informatie daarover is er, maar zeer verspreid. In de traditionele scheepsbouw vind je die, maar de kennis gaat niet verder terug dan de vorige eeuw. Wat daarvóór gebeurde, wijkt zo af van de hedendaagse bouw. Daar moet je door ondervinding achter komen. Dus ook het inschatten hoe belangrijk een scheepswrak is, is een heel weerbarstig iets.''
Maarleveld leunt voor een deel op ervaring die hij opdeed, toen hij met zijn vader een botter herbouwde: “Dan leer je eikenhout kennen en oplossingen verzinnen voor bouwproblemen. Het stond los van m'n studie, maar werkt wel door in de analyses die je moet maken.”
Archeologie, ook die onder water, reikt verder dan het opdelven van potjes en pannetjes en schepen, zegt Maarleveld. “We werken met groot enthousiasme mee aan een tentoonstelling over de graanhandel op de Oostzee of welke expositie ook; daarin kunnen we heel veel van onze prachtige vondsten laten zien. Maar daarnaast heeft archeologie ook aparte waarden: informatie geven over voedselbereiding bijvoorbeeld, over het kweken van gewassen in vroeger tijd. Op die wereld heb je een heel klein venstertje, als je ergens een zoveelste-eeuwse beerput leeghaalt. Maar vind je een scheepswrak met een nagenoeg complete lading, dan is dat venstertje veel groter.”
“Aan de hand van deze vondsten kun je een middeleeuws kookboek samenstellen. We hebben vaatjes uit de 16e eeuw aangetroffen, die volgestouwd waren met stokvis; daar kun je de bereidingswijze van die tijd uit aflezen. In hetzelfde schip troffen we balen met bonen aan. Het bleken tuinbonen te zijn van dezelfde soort die nu nog op ons menu staan, maar heel anders dan we uit de 16e eeuw kenden.”
Scheepsvondsten in Nederlandse wateren vergelijkt Maarleveld met kluisjes, die eeuwen geleden met het vergaan van een schip gesloten zijn en nu geopend worden. “Het zijn allemaal processen die tot stilstand zijn gekomen en dankzij de bodemgesteldheid intact zijn gebleven.” Hoe waardevol en veelzijdig de informatie van zo'n wrak kan zijn, illustreert hij aan de hand van een schip dat de ROB-afdeling volgend jaar in het Molengat (ten westen van Texel) gaat onderzoeken.
“Het is een scheepswrak uit 1635, ongeveer. In de lading hebben we pakketten gelooid leer aangetroffen, afkomstig uit kleine huislooierijen. Het moeten Spaanse runderen zijn, op grond van de schofthoogte en nog wat kenmerken - er zitten merken op. Opvallend is dat het gaat om runderen die ritueel geslacht zijn, op een wijze die in Spanje in die tijd absoluut verboden was (de Reconquista had joden uit Spanje verdreven). Door zo'n vondst krijg je zicht op illegale slachtingen.
Daarnaast bevat het schip een gigantische partij baren lood, aan de stempels te zien afkomstig uit Polen. Ze zijn heel anders bewerkt dan tot nu toe bekend is; gewoon nieuwe informatie dus. Bovendien zit er in de lading tin uit Tsjechië, uit een mijngebied bij Karlovy Vary dat al in de 17e eeuw uitgeput is geraakt en waar deze scheepsvondst veel informatie over geeft.''
Bij elkaar opent het Molengat-wrak een venster, die een complete Euro-markt uit de 16e en 17e eeuw laat zien. En het is er maar één op de wrakkenkaart, die de ROB-afdeling heeft aangelegd, samen met een heel legertje sportduikers. Maarleveld spreekt met grote waardering over de enthousiaste en vakbekwame liefhebbers. Hij bouwde jarenlang aan het netwerk, besteedde er soms wel zeventig procent van zijn werktijd aan, bewerkte de duikerswereld als een soort missionaris.
Nu wordt hij bij de minste of geringste waarneming gebeld - “en niet alleen bij kanons of mooie spulletjes, ook bij een stroomverandering die mogelijk een scheepswrak in gevaar kan brengen.” De inspanning om sportduikers zo ver te krijgen, is 'goud waard geweest', zegt Maarleveld. Soms laat een duiker die een wrak vindt, zijn hart nog wel iets sneller spreken dan zijn hoofd, maar de situatie is heilig vergeleken met het begin van de jaren tachtig. Het beeld van schatzoekers uit jongensboeken is aardig bijgesteld, merkt de promovendus op. “Zwarte schapen heb je altijd en incidenten ook.” Eén van de stellingen bij zijn proefschrift spreekt over het 'essentiële belang' van betrokken en loyale bewuste sportduikers voor de erfgoedzorg onder water.
“Buiten Nederland is die situatie nog lang niet zo ver”, voegt hij eraan toe. Daar moet wat hem betreft de Unesco een oplossing voor zien te vinden. “Want of het nu Nederlands erfgoed is of van de mensheid, het is gezamenlijk erfgoed.” Maarleveld maakt zich in zijn stellingen ook sterk voor erkenning door de VN-organisatie van de Waddenzee als werelderfgoed, alleen al vanwege de uitzonderlijke scheepsarcheologische rijkdom.
Daarvoor is in Nederland echter het besef nodig dat ónder het donkere water een scheepskerkhof van unieke en onvervangbare waarde schuil gaat. “Dat besef is er nog onvoldoende. Dat komt pas als de onderzoekstraditie meer armslag krijgt en onderwaterarcheologie meer is ingebed in het hoger onderwijs. Dan zal het een wezenlijke aanvulling op het geschiedenisverhaal geven. Nu is een scheepswrak voor de meeste mensen iets onzichtbaars.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.