*

 
dossier

Archief

SPORTBEOEFENING

ARLETTE DWARKASING − 24/01/96, 00:00

Sport is bij jongeren de meest populaire vrijetijdsbesteding. Van alle jongeren tussen twaalf en vijftien doet 85 procent wel eens aan sport. Bij 64 procent gebeurt dat echt regelmatig, zodat het ook een positief effect heeft op hun gezondheid. Boven de zestien neemt de sportdeelname sterk af. Bijna dertig procent doet dan helemaal niets meer aan sport, en slechts de helft sport regelmatig. Bij allochtone jongeren liggen die percentages nog lager. Om 'sportuitval' van jongeren te voorkomen en ze te motiveren te gaan sporten pleitte de Raad voor het Jeugdbeleid vorige maand bij de staatssecretarissen Terpstra (sport) en Netelenbos (onderwijs) voor 'een verregaande ontwikkeling van de schoolsport'. Geheel los van de gymnastieklessen, stelt de Raad een model voor als in de studentensport. Daar zijn open activiteiten, gericht op de algemene conditie, toegankelijk voor alle studenten - net als het aanleren van een bepaalde sport. Een klein aantal scholen in Nederland heeft al een schoolsportprogramma zoals de Raad dat wil. Op het Johan de Wittcollege in Den Haag krijgen de leerlingen niet alleen onderwijs, ze kunnen er ook terecht in hun vrije tijd. De school als sportcentrum èn buurthuis.

Het heeft nogal wat voeten in de aarde. Van iedere les - die nu vijftig minuten duurt - wordt vijf minuten afgesnoept. Per dag hebben de leerlingen zes à zeven vakken. Dan win je al gauw ruim een half uur en blijf je toch binnen het wettelijk minimum. Daarna is er meer tijd over om op school te basketballen of te kickboksen. Of om mee te doen aan een workshop fotografie of breakdancing. Of om bijlessen te nemen. Het zou uniek zijn: een school die de vrijetijdsbesteding van haar leerlingen gewoon inroostert.

“Er moet een cultuur gaan heersen dat je na schooltijd nog even iets ontspannends met elkaar doet, iets dat je interesse heeft”, zegt Ruud van de Graaf, sportcoördinator van het Johan de Wittcollege. Nu doen al zo'n 250 van de 1900 leerlingen mee aan één van de vijftien sportcursussen die de school na de lesuren biedt. Zo'n honderd leerlingen nemen deel aan een tiental workshops. Nu zijn die nog vrijwillig en kost deelname aan een sportcursus of workshop gemiddeld 25 gulden voor zestien weken. Als de activiteiten worden ingeroosterd, vindt Van de Graaf, dan moet deelname kosteloos zijn.

Maar dan is er wel financiële steun nodig van de gemeente Den Haag. Wel 65 000 gulden, zo heeft de school begroot. De gemeente buigt zich nog over die subsidie-aanvraag. Tot nu toe draait het activiteitenprogramma op het enthousiasme van docenten en vrijwilligers van het buurthuis en een aantal sportverenigingen.

Het is voor het tweede achtereenvolgende jaar dat leerlingen van het Johan de Wittcollege na de lessen op school kunnen sporten. De cursussen staan los van de lessen gymnastiek.

Van de Graaf: “Het is jaren geleden begonnen met een voetbaltoernooi, iedere vrijdagmiddag voor basisscholen. Leerlingen van onze school organiseerden die toernooien en floten bij de wedstrijden. Je zag dat de leerlingen het fijn vonden bezig te zijn met voetbal, maar niemand was lid van een club.”

Begin 1994 hield de school een enquête om de behoefte aan sport te peilen. Slechts 18 procent van de jongens was lid van een sportclub. Nog geen half procent van de meisjes (namelijk maar zeven) deed in clubverband aan sport. Maar wel zou zeventig procent van de leerlingen graag met een sportcursus meedoen.

“We zijn een vrij speciale school”, zegt Van de Graaf. “We hebben tachtig nationaliteiten. De meeste leerlingen worden van huis uit niet gestimuleerd om te gaan sporten. Ze komen uit culturen waarin het geen traditie is om je bij een sportvereniging aan te sluiten. En hier verwachten clubs toch van hun leden dat ze de sportcultuur kennen en weten hoe de regels zijn. Maar dat kun je van deze jongens en meisjes niet verwachten. De lidmaatschapsgelden zijn voor de ouders ook vaak een probleem. Een sport als voetbal kost zo'n vijftien gulden per maand, maar voor basketbal betaal je al gauw zo'n dertig gulden.”

De Johan de Wittschool staat midden in het centrum van Den Haag in een zogenoemde achterstandswijk. Veel ouders in deze buurt, meent Van de Graaf, vinden het maar niks dat je moet betalen om te kunnen sporten. Als je met een bal de straat op gaat, ben je ook actief.

“Maar het punt is dat er hier niet veel ruimte is om buiten actief te zijn. Met de stadsvernieuwing zijn de meeste sportverenigingen die hier zaten verhuisd naar de rand van de stad. Terwijl dit een heel kinderrijke wijk is. Er zijn wel een paar sporthallen, maar voor de veldsporten moet je toch een eind weg reizen. En dan zitten de ouders weer met het halen en brengen.”

Het allerlaatste basketbal/voetbalveldje in de open lucht dat pal naast de school stond, wordt inmiddels door de Johan de Wittschool zelf volgebouwd. De school groeide uit zijn jasje en uitbreiding (ook met sportruimtes) was noodzakelijk.

De sportconsulent van de Dienst welzijn van het stadsdeel Centrum, Kees Zwemer, is nauw betrokken bij de naschoolse activiteiten op het Johan de Wittcollege. De gemeente heeft er ook wel belang bij. Het houdt de jongeren van de straat. Zwemer formuleert het liever anders: “Alle burgers moeten mee kunnen komen in onze maatschappij. Veel allochtone jongeren kunnen via de sportcultuur de maatschappij beter leren kennen. En zich daarin thuis gaan voelen. Dat het ook een positief effect heeft op de gezondheid van de jongeren is meegenomen, maar niet ons uitgangspunt.”

Het sociale aspect van de sportcursussen, maar ook van de workshops na schooltijd, spreekt de leerkrachten van het Johan de Wittcollege erg aan. Leren participeren in de Nederlandse maatschappij, leren samenwerken, zelfredzaamheid. “Op deze school”, zegt Van de Graaf, “ben je leraar èn opvoeder. Of je wil of niet. In de lessituatie, maar in ons geval nu ook daarbuiten. Niet op een corrigerende manier, maar op een aanvullende manier. Je laat de leerlingen kennismaken met een stukje sportcultuur, ze pikken er sociale vaardigheden op en hebben een zinvolle vrijetijdsbesteding. En het welbevinden van zowel leerkracht als leerling is nu groter dan voorheen.”

De school biedt in feite introductiecursussen, in de hoop dat de leerlingen er zo'n plezier in krijgen dat ze de stap wagen om lid te worden van een vereniging. Dat zal sowieso moeten als ze van school af gaan en toch met een sport door willen gaan. Misschien is er dan niet direct geld voor een dure sport als basketbal, maar ze hebben er eenmaal van geproefd. De kans is dan groter dat ze het later toch weer oppakken, denkt de sportcoördinator.

Samen met Kees Zwemer heeft Van de Graaf - zelf docent Engels, maar als leerling van het Johan de Wittcollege was hij 'sportcommissaris' - uitgedacht hoe de sportactiviteiten konden worden georganiseerd zonder dat de kosten voor de school uit de hand liepen. Een aantal leerkrachten dat privé actief is in een bepaalde sport geeft als vrijwilliger cursussen op school. Zo geeft Van de Graaf zelf tafeltennis. Zwemer had contacten met een basketbalvereniging in een andere wijk en heeft die benaderd voor een cursus op de Johan de Wittschool. Ook het buurthuis leent vrijwilligers uit om cursussen te geven. In ruil daarvoor biedt de school de sportverenigingen die meedoen en het buurthuis verschillende ruimten aan voor andere activiteiten.

Van de Graaf: “Aan het eind van iedere cursus zit een 'toetje': als de leerlingen minstens tachtig procent van de sportlessen hebben gevolgd, zorgt de school voor een eerste contact met een vereniging. Voor een proefles, een demonstratie of een bezoek aan een topwedstrijd. Dat stimuleert. Er zijn al heel wat getalenteerde jongens die bijvoorbeeld zijn doorgestroomd naar een voetbalclub.”

mailIcon print |