Charles Darwin had pleinvrees. De geestelijke vader van de evolutietheorie brak het zweet uit als hij een lezing moest houden of met collega's moest debatteren. Dat schrijven twee psychiaters in het Journal of the American Medical Association (8/1) na zorgvuldige bestudering van de aantekeningen, correspondentie en dagboeken van de bioloog.
Dat Darwin niet meer de kwiekste was na zijn reizen met de Beagle, was al langer bekend. Maar kwalen als duizelingen, ademnood en hartkloppingen, waarover hij veelvuldig klaagde, werden toegeschreven aan tropische ziektes of depressiviteit.
De psychiaters zetten de klachten op een rijtje en troffen zo negen van de in totaal dertien symptomen aan die volgens de moderne handboeken bij een paniekstoornis horen. Bij zo'n stoornis hoort vaak een fobie, pleinvrees in Darwins geval.
Darwin bleef dus noodgedwongen binnen. Dat had één voordeel: het verschafte hem ruim de tijd om zijn On the origin of species te schrijven.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.