Volgens de Emancipatieraad worden veel vrouwen ervan weerhouden te gaan werken, omdat hun man hun belastingvrije bedrag dan niet meer bij het zijne kan voegen en het gezinsinkomen daardoor daalt. Volkomen onjuiste informatie, aldus een accountant die werkt bij de Belastingdienst. De auteur is accountant, werkzaam bij de Belastingdienst. Deze bijdrage is op persoonlijke titel geschreven.
In het hiernavolgende is uitsluitend gerekend met de gevolgen van de belastingheffing voor het netto inkomen.
Inkomen onder het belastingvrije bedrag
Zoals de gemiddelde 'thuiszitter' weet (alleen de Emancipatieraad blijkbaar niet) ben je in tariefgroep 1 ingedeeld als je inkomen minder bedraagt dan het belastingvrije bedrag (in 1997 ¿ 7.102), de werkende partner is dan ingedeeld in tariefgroep 3. Dit betekent dat je tot het bedrag van de belastingvrije som kunt bijverdienen zonder dat de tariefgroepindeling van jezelf en je werkende partner verandert. Wel moet je vanaf de eerste gulden belasting betalen tegen het tarief van de eerste schijf (in 1997 37,3%). Als er verder nog rekening wordt gehouden met het arbeidskostenforfait van 10% (met een minimum van ¿ 247) is het een fluitje van een cent om de belasting en daarmee het netto inkomen na belasting te bepalen. Zo bedraagt het netto inkomen bij ¿ 500 bruto zo'n ¿ 332 per maand (66,4%). Aangezien er in de tariefgroepindeling bij dit inkomen niets is gewijzigd, is het gezinsinkomen door het gaan werken van de 'thuiszitter' met ¿ 332 netto per maand gestegen.
Inkomen boven het belastingvrije bedrag
In het geval men meer gaat verdienen dan het belastingvrije bedrag wijzigt de tariefgroepindeling van beide partners en gaan beiden naar tariefgroep 2. Hierbij is voor de ene partner sprake van een belastingnadeel en voor de andere van een belastingvoordeel.
Het belastingnadeel van de werkende partner die van tariefgroep 3 naar 2 gaat, is afhankelijk van het hoogste schijftarief waarin deze valt: In de eerste schijf is dat ¿ 2.649 op jaarbasis, ¿ 221 per maand, in de tweede schrijf ¿ 3.551 resp. ¿ 296 en in de derde ¿ 4.261 resp. ¿ 355.
Hiertegenover staat uiteraard het belastingvoordeel dat de ex-'thuiszitter' heeft die van tariefgroep 1 naar tariefgroep 2 gaat. Door deze wijziging hoeft niet direct meer vanaf de eerste gulden belasting te worden betaald, maar pas als het inkomen boven het belastingvrije bedrag uit komt. Tegen het tarief van de eerste schijf bedraagt dit voordeel ¿ 2.649 op jaarbasis, ¿ 221 per maand. Geheel toevallig (?) blijkt dat dit voordeel exact gelijk is aan het nadeel van de partner als deze in de eerste schijf valt.
Geen voor- of nadeel
Om dit nader toe te lichten druk ik het netto inkomen uit in een percentage van het bruto inkomen. Het netto inkomen bedraagt vanaf ¿ 2.500 tot en met ¿ 7.000 steeds 66,4% van het bruto inkomen. Bij stijging van het inkomen boven het belastingvrije bedrag en bij een partner in de eerste schijf blijft het netto inkomen (na aftrek van het belastingnadeel van de partner) ook steeds 66,4%. Dit percentage wordt pas lager op het moment dat het maximum van het arbeidskostenforfait is bereikt. Gaat een ex-'thuiszitter' ¿ 1.000 bruto per maand verdienen, dan levert dit een hoger gezinsinkomen op van netto ¿ 664 per maand.
Als uitsluitend de belastingheffing in aanmerking wordt genomen, dan draagt extra inkomen dus vanaf de eerste gulden bij tot een hoger gezinsinkomen. De conclusie die kan worden getrokken is dan ook: Als de partner in de eerste schijf valt, is er per saldo geen enkel voor- of nadeel door het vervallen van de overheveling van het belastingvrije bedrag (bij stijging van het inkomen tot boven dat belastingvrije bedrag).
In die gevallen dat de partner in een hoger schijftarief valt, is de toename van het gezinsinkomen weliswaar iets lager dan bij de eerste schijf, maar er blijft altijd sprake van een toename van het totale gezinsinkomen. Naarmate het inkomen van de partner hoger is blijft er door het tariefverschil van het extra inkomen dus relatief minder over (het gaat hier om ¿ 75 resp. ¿ 134 per maand bij een tarief van 50% resp. 60% van de partner).
Ervan uitgaande dat hoger opgeleide vrouwen een eveneens hoger opgeleide en beter verdienende partner hebben, zou dit er dus toe moeten leiden dat deze vrouwen relatief minder werken dan lager opgeleide vrouwen. Volgens het artikel in Trouw werken van de hoger opgeleide vrouwen echter 78% tegenover 46% van de lager opgeleide vrouwen. Volgens J. Schippers van de Emancipatieraad komt dit doordat de drempel voor lager opgeleide vrouwen hoger is en moet daarom het belastingvoordeel worden afgeschaft. Zoals hierboven is gebleken vormt de overheveling van het belastingvrije bedrag voor de lager opgeleide vrouwen in het geheel géén drempel om te gaan werken. De verklaring voor het lagere percentage lager opgeleide vrouwen dat werkt moet dus in een heel andere richting worden gezocht.
Twee mogelijke verklaringen zijn volgens mij de volgende. Wellicht dat bij een deel van de lager opgeleide en minder verdienende mannen nog het beeld bestaat dat de man van wie de vrouw werkt, blijkbaar zelf niet in staat is om zijn gezin adequaat te onderhouden en voelt deze zich hierdoor in zijn 'mannelijkheid' aangetast. Een andere en volgens mij de meest plausibele verklaring betreft de aard van het werk dat lager opgeleide vrouwen kunnen gaan doen. Is dat minder interessant en biedt het wellicht weinig mogelijkheden tot zelfontplooiing, sociale contacten etc., oftewel is het wellicht gewoon geen leuk werk? In het artikel worden als voorbeelden van werk voor lager opgeleide vrouwen schoonmaakster en toiletjuffrouw genoemd. Zou het wellicht zo kunnen zijn dat deze vrouwen liever hun eigen dan andermans huis en liever hun eigen dan andermans toiletpot schoonmaken?
Wellicht dat het laatste nog een aanknopingspunt biedt voor de uitlatingen van de Emancipatieraad. In deze raad zitten ongetwijfeld hoger opgeleide tweeverdieners. Zoals het goede tweeverdieners betaamt besteden zij uiteraard allerlei onaangename huishoudelijke en andere werkzaamheden, waarin zij zelf geen zin hebben, uit aan anderen. Doordat er nu zo weinig lager opgeleide vrouwen werken, hebben deze leden van de raad er natuurlijk moeite mee om (voor weinig geld uiteraard) een werkster en andere hulpen te krijgen. Dit realiserend hebben zij zich als doel gesteld ervoor te zorgen dat er meer lager opgeleide vrouwen gaan werken zodat zij gemakkelijker (en wellicht voor nog minder geld) een werkster, een hulp etc. kunnen nemen. Dat hierbij sprake is van onzuivere motieven en dat hiervoor een onjuiste voorstelling van zaken moet worden gegeven, interesseert de Emancipatieraad blijkbaar niet: “Als die lager opgeleide vrouwen maar aan het werk gaan” is blijkbaar hun motto.
Tenslotte nog de wijze van benaming door de Emancipatieraad: Deze noemt het belastingvoordeel door de overdracht van het belastingvrije bedrag een 'premie op thuiszitten'. Als je dit echter beschouwt als zorgloon, en het CDA lijkt in die richting te gaan, dan klinkt het al heel anders. Neem hierbij de definitie van zorgloon zoals Kea Tijdens van de Universiteit van Amsterdam deze blijkens het Trouw-artikel hanteert: 'Zorgloon is een terechte beloning van tot nu toe onbetaalde arbeid' en de discussie lijkt ineens ook een andere kant op te kunnen gaan.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.