Van onze correspondent BRUSSEL - Lomé heeft zijn langste tijd gehad. Het verdrag tussen de Europese Unie en zeventig ontwikkelingslanden loopt over drie jaar af. Een verlenging zit er niet in; de wereld is teveel veranderd.
De EU en de ontwikkelingslanden zijn het erover eens dat de ontwikkelingssamenwerking op een nieuwe leest geschoeid moet worden. Maar op welke leest? De Unie en de partners uit Afrika, het Caribisch gebied en de Stille oceaan (de ACS-landen) vergaderden daarover de afgelopen twee dagen in Brussel.
Het verdrag van Lomé, dat hen bindt, beleeft zijn vierde editie. Het stamt uit de tijd dat de voormalige koloniën in de goot lagen en een aalmoes kregen van de barmhartige Europeaan. En uit de tijd dat het Westen met ontwikkelingssteun de invloed van de Sovjet-Unie in Azië en Afrika trachtte te beperken.
Lomé steunt op twee pijlers: financiële steun voor projecten, bij voorbeeld ter verbetering van de infrastructuur, en een vrije toegang tot de Europese markt voor exportprodukten van de ontwikkelingslanden. Het blijkt niet mee te vallen die steun nuttig te besteden. En de handelsconcessies verdragen zich steeds slechter met de afspraken die wereldwijd over de handel worden gemaakt.
Bovendien treden de verschillen tussen de ontwikkelingslanden aan het daglicht. Terwijl grote delen van Afrika nog altijd geen ander vooruitzicht hebben dan blijvende armoede en interne conflicten, zijn landen in het Caribisch gebied en Azië economisch adolescent zo niet volwassen geworden. Die hebben het Europees geld niet meer nodig om een weg aan te leggen, maar wel om bij voorbeeld een competitieve dienstensector van de grond te krijgen.
De zeventig ontwikkelingslanden passen niet meer onder dezelfde Lomé-paraplu. Daar komt bij dat de bereidheid in de EU om geld naar het zuiden over te maken - in het kader van Lomé nu zo'n vijf miljard gulden per jaar - afneemt. “Ontwikkelingshulp is uit”, zegt Serge Michailof, adviseur van de Wereldbank. Toch zijn die gelden onontbeerlijk, aldus Michailof, zeker voor humanitaire hulp en voor het werk van niet-gouvernementele organisaties.
“Het is eg verleidelijk om vanuit de ACS-landen te pleiten voor handhaven van de steun en de handelsconcessies. Maar dat is op langere termijn niet houdbaar”, zegt Ramakrishna Sithanen, voormalig minister van Mauritius, het eiland in de Indische oceaan. Nu er sprake is van een wereldeconomie, de handel geliberaliseerd wordt en de telecommunicatie geografische afstanden verpulvert, moet de ontwikkelingssamenwerking een nieuwe filosofie krijgen, aldus Ramakrishna.
De Europese assistentie zal gericht moeten worden op het ontwikkelen van de private sector en de kapitaalmarkten in de ontwikkelingslanden en op de regionale samenwerking tussen die landen.
De EU en de ACS-landen zouden het huidige Lomé moeten vervangen door vrijhandelsakkoorden. En er zou nagedacht moeten worden over monetaire samenwerking. Mocht de Europese munt, de euro, er inderdaad komen, dan zouden de ACS-landen op die ontwikkeling kunnen aansluiten, bij voorbeeld door hun exportprodukten in euro's te verhandelen, zegt Ramakrishna.
Brussel houdt intussen zijn kruit droog. De EU heeft de afgelopen jaren vooral geklaagd over het verdrag van Lomé, dat wordt gezien als een zaadloze vrucht van het 'flower power-tijdperk'. Maar het zal tot de herfst duren voor de Europese Commissie zich uitspreekt over de vraag wat er, in het jaar 2000, op de huidige vierde editie van Lomé moet volgen.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.