*

 
dossier

Archief

De Nederlandse onderhandelaars kregen van Spanje elk een gouden ketting van 9000 gulden

FRANK KOOLS; FRANZ STRAATMAN − 30/01/98, 00:00

Na de officiële afkondiging van de vrede van Munster klaagt de Spaanse onderhandelaar Peñaranda in een brief bij zijn koning. Hij heeft nog steeds het geld niet ontvangen om gouden kettingen te laten maken. Een cadeautje waarvan de Nederlandse gezanten vinden dat ze er recht op hebben, aldus Peñaranda.

En gelijk hadden de Nederlanders. Gezanten kregen na een geslaagde missie geschenken van de tegenpartij. Meestal een ridderorde, maar dat was hier volstrekt onmogelijk. De Spaanse koning, grote beschermer van de r.-k. kerk, kon het niet maken protestanten op te nemen in een van de ridderordes. Dus werden het medailles met keten, ter waarde van 9000 gulden.

Probleem was mogelijk dat de Nederlandse Republiek niet met één of twee gezanten had onderhandeld, maar liefst acht man had ingezet. Allemaal met een eigen opdracht en dus officieel allemaal even belangrijk. Koning Philips IV had al veel moeten slikken in het verdrag. Ook de afloop werd zo een kostbare zaak.

Dat de Republiek met acht man present was, had te maken met haar staatsbestel. Zij was een unie van zeven onafhankelijke staten (gewesten), die alleen op enkele terreinen samenwerkten. Elk gewest hield vast aan zijn soevereiniteit en wilde dus meepraten. Holland mocht als belangrijkste twee man sturen.

In de praktijk telden maar drie Nederlandse gezanten mee. Adriaen Pauw, heer van Heemstede (1585-1653) was hun natuurlijke voorman. Deze Amsterdams koopman, was voor Munster ambassadeur in Parijs geweest en raadspensionaris (hoogste ambtenaar) van Holland. Doorkneed in staatszaken en diplomatie ijverde hij voor een snelle vrede met Spanje.

Eén nadeel had Pauw wel: hij kon absoluut niet overweg met Frederik Hendrik. Deze machtige Oranjeprins had er voor gezorgd dat de strenge calvinist als raadspensionaris aan de kant was geschoven. Hij had hem laten vervangen door de volgzame regent/dichter Jacob Cats.

Maar toen de onderhandelingen echt op gang kwamen, was de vorst echter al te ziek om Pauw nog dwars te kunnen zitten. Als hij dat al wilde. Want ook de Oranjeprins wilde de oorlog beëindigen.

Johan de Knuyt (1585-1653) kon het juist goed met de vorst stellen. Hij was Frederik Hendriks zetbaas in Zeeland en hield volgens historicus J. Poelhekke dat gewest eronder met trucs en streken recht uit de dorpspolitiek. “Een uitgeslapen intrigant” en “een louche figuur”, noemt Poelhekke hem.

Zeeland, het tweede gewest, had aan hem een slecht gezant. Want de Zeeuwen waren fel tegen vrede. Zij verdienden dik aan de piraterij (kaapvaart) tegen de Spaanse schepen, met name in West-Indië (denk aan Piet Heyns Zilvervloot). Maar De Knuyt trok zich daar niets van aan en liep zich het vuur uit de sloffen voor een akkoord met de Spanjaarden.

Daar had De Knuyt goede redenen voor. Volgens Poelhekke staat het zo goed als vast dat de Zeeuw zich in Munster door de Spanjaarden heeft laten omkopen. En flink ook: 100 000 escudos, een fortuin.

Steekpenningen werden ook in die dagen vlot uitgekeerd. Onderhandelaar Peñaranda droeg een van zijn medewerkers op alles in het werk te stellen om deze “geheime uitgaven” vol te houden, “al is het door uw eigen kinderen naar de lommerd te brengen”. Maar De Knuyt was volgens Poelhekke wel erg inhalig en makkelijk om te kopen.

De positie van Peñaranda was overigens niet te benijden. Behalve De Republiek sloeg ook Frankrijk hem om de oren met vergaande eisen. Beide landen dreigden met nieuwe veldtochten als hij niet toegaf.

Aan zijn koning in Madrid had de gezant niet veel. Die liet de regering over aan een hoveling. Een deel van de tijd treurde hij verder om de dood van kroonprins Don Balthasar. Het enige goede wat de volksmond van hem vertelde, was dat hij verzot was op het castreren van katers. Dat grote verdriet weerhield Philips er overigens niet van het bruidje van zijn zoon over te nemen.

Op 30 januari 1648 tekenden gezanten van de Republiek en Spanje het verdrag. Maar twee gewesten gingen dwarsliggen: Utrecht onder leiding van zijn onderhandelaar Godert van Reede, heer van Nederhorst. Die was “ziekelijk, zwaar op de hand en het schijnt nogal zeurderig, om niet te zeggen lastig”, schrijft Poelhekke. Utrecht wilde verder vechten.

Dat wilde ook Zeeland. Daar was men zo boos op De Knuyt, dat die, om het vege lijf te redden, moest verklaren tegen de vrede te zijn, waar hij zelf zijn best voor had gedaan. Na enkele maanden gingen de twee gewesten overstag. De Knuyt kreeg zijn Spaanse geld. En zijn ketting. Maar die kregen de andere zeven ook.

mailIcon print |