“Toen 'Candide' in oktober 1956 in Boston in première ging, was de naam Bernstein nog niet doorgedrongen in Amsterdam, waar ik beginnend student was. Het existentialisme vierde er hoogtij, met boeken van Sartre en Camus, de liedjes van Juliètte Greco: 'Ik haat die zondag'.”
Zo begint Willem Wilmink zijn bijdrage aan het programmaboek over bij 'Candide' van de Nationale Reisopera. Hij doet uit de doeken hoe een vertaler omgaat met teksten uit een andere taal die verbonden zijn aan muzieknoten en specifieke ritmen.
Wilmink diept zijn constatering uit het geheugen op om te beschrijven hoe aankomende intellectuelen rond het Amsterdamse Leidseplein midden jaren vijftig reageerden op de politiek en maatschappij van toen: de zeer koude oorlog, communistenjacht in de V.S. en opkomend alternatief gedrag, zoals “meisjes in zwarte truien en jongens met broeken als pijpestelen.”.
Dat leven moet op de rond 20-jarige keurige Twentse gymnasiast als een shock-therapie hebben gewerkt. De fixatie op het universitaire wereldje, op de boekprofeten Sartre en Camus en op de café's Rijnders en Eilders op het Leideseplein, heeft Wilminks hersencellen anno 1994 nog zo in bedwang, dat hij ook nu nog niet verder weet dan zijn Twentse neus lang is.
Leonard Bernstein, Lenny in de wandeling, net rond de dertig jaar, was in 1947, 1948 en 1950 een zeer bejubelde gast in het Holland Festival. Hij maakte in 1947 zijn debuut in Nederland als dirigent in Scheveningen, bij het Residentie Orkest. Hij introduceerde ook ook een eigen compositie, èn omdat de aangekondigde vioolsolist niet kwam opdagen, bood hij aan om zelf achter de piano te kruipen. Hij speelde Beethovens eerste concert en het pianoconcert van Ravel.
Bernstein kon alles; met zijn volle zwarte bos haar en zijn jongensachtige uitstraling, was hij even exuberant als toen we hem, na zo'n dertig jaar, grijs en getekend terugzagen in Nederland. In 1950 (7 september) dirigeerde Lenny voor het eerst het Concertgebouworkest, en hij speelde er ook piano, weer Ravel. In Amsterdam dus in het Concertgebouw aan de Van Baerlestraat, zes jaar vóór Willem Wilmink zijn eerste existentiële pilsje op het Leidseplein innam. Willem was toen nog een braaf gymnasiast, onwetend van de Grote Verre Stad.
Maar las hij dan geen kranten? Zelfs Trouw volgde Lenny op zijn zegetochten door Nederland. De recensent R.N.D. (achter welke bescheiden afkorting de nog steeds schrijvende Ralph Degens schuilging) had hem in Scheveningen al met bewondering beschreven. De recensie over diens optreden in het Concertgebouw kopte hij op 9 september krachtig met 'Bernstein, muzikaal phenomeen'. Hij schreef: 'Naarmate men het vaker beluisterd heeft, raakt men meer overtuigd van het enorm grote en veelzijdige muzikale talent waarmede deze 32-jarige begiftigd is.' Maar hoe mooi hij Ravel ook deed, met Schumanns tweede symfonie verknoeide hij veel plezier bij R.N.D.
Op 6 september had hij de lezer al voorbereid met een enthousiasmerend verslag (kop: 'Leonard Bernstein vertelt') van een persconferentie: een tweekoloms stuk mèt foto; voor de dunne krantjes die Trouw toen maakte, staat dat gelijk met een halve pagina nu. En wat vertelde Bernstein zoal: dat hij de groep tweede violen zo prachtig vond spelen; dat hij Mahler zo diep in zijn hart droeg ('Als ik werk van hem dirigeer, lijkt het alsof ik een werk van mijzelf speel') en dat hij Jurriaan Andriessen aanzag voor de Nederlandse Benjamin Britten.
Willem in Enschede had daar niet het flauwste benul van, noch dat hij later Lenny in het Nederlands zou omzetten. Willem zal rode oortjes hebben gehad bij Karl May, Arendsoog, of de avonturen van Puck en Muck. Om in 1956 in de armen van Juliëtte Greco te vallen. Maar hij legde zo wel de basis voor een talent dat later zelf kinderboeken ging schrijven, en voor een soepelheid in taalgevoel dat Bernsteins 'Candide' aan een excellente vertaling hielp. Mahler te dirigeren bij het Concertgebouworkest was Bernstein pas vergund na 1978. Hij bleek niets veranderd.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.