Politieke rampen moeten worden bestreden met politieke middelen. Poëzie is daartoe geen geschikt instrument. Een discussie naar aanleiding van de Bosnië-gedichten van Serge van Duijnhoven. De auteur is redacteur van het literaire bulletin Chroom.
De Boer heeft het niet zo op Van Duijnhovens Bosnië-gedichten uit de bundel Copycat: “Dat engagement is op zichzelf sympathiek, maar overschreeuwt zichzelf en doet daardoor ondanks de moderne rondborstige taal toch merkwaardig ouderwets aan.” Wel heeft De Boer waardering voor het gevoel van verontwaardiging waaruit deze poëzie opwelt, maar uiteindelijk wijst hij dit vloeken en tieren in gedichten af.
In een reactie op De Boers recensie (Trouw, 4 januari) pleit David van der Poort voor Van Duijnhovens nieuwste gedichten. “Deze poëzie”, zegt hij, met een verwijzing naar Vondel en Van Ostaijen, “is gewoon even werkelijk als haar maker; dit is geen dode diepzinnige dichtkunst.”
Volgens mij schuilt het probleem bij Van Duijnhoven zowel in de keuze van zijn onderwerp als in de manier waarop hij dat uitwerkt. Op beide punten maakt Van Duijnhoven als dichter een cruciale fout.
Voor poëzie lenen zich onderwerpen als mythologische gebeurtenissen (Homerus, Dante, de theocratische psalmen) en de mystieke aanzetten van het denken (Leopolds 'denk-begin'). Er dient altijd een zekere afstand te zijn tot de externe of interne fenomenen waaruit de gedichten voortkomen.
Bij politieke poëzie ontbreekt die afstand en is dientengevolge geen goede controle over het onderwerp mogelijk. Redeloze gevoelsuitstortingen zijn het resultaat, ondanks de actuele maatschappelijke context van dit soort poëzie.
Geëngageerde gedichten, geënt op een reële politieke situatie, overtuigen dan ook zelden als poëzie. Denk bijvoorbeeld aan het mislukte marxistische magnum opus 'Pan' (1912) van Herman Gorter, dat vooral door een teveel aan actueel (arbeiders)leven ten onder gaat. Pablo Neruda is misschien een uitzondering, al zie ik in zijn poëzie vooral een uitbeelding van de mythe van onderdrukking en armoede, meer dan een artistieke visie op actuele politieke problemen.
Politiek is dus pas in gemythologiseerde vorm voor dichters bruikbaar. Ideologische taal is bovendien ongeschikt als poëtisch instrument: te kaal, te nuchter, te plompverloren, te afgezaagd.
Schreeuwerig
Een direct gevolg van de manier waarop geëngageerde poëzie ontstaat, via heftige emoties, is meestal het gebrek aan vorm. Vaak heeft politieke poëzie een grillig en schreeuwerig karakter. Hoewel Peter de Boer dit element wel in zijn bespreking aanstipt, weegt dit nadeel van Van Duijnhovens engagement volgens mij net zo zwaar als zijn voorspelbare keuze voor Bosnië. Zijn uitwerking redt het niet. Serge van Duijnhoven gedraagt zich als een doempoëet maar de ongeïnspireerde capriolen die hij vervolgens in Copycat maakt geven zijn optreden het karakter van een mislukte circusact. Politieke rampen kun je efficiënter bestrijden met politieke middelen. Als je dit toch met behulp van poëzie wilt doen, moet je geduld hebben tot de politiek zich verdicht tot geschiedenis.
Bij politieke poëzie, gebaseerd op de actualiteit van het nieuws van de dag, heb ik dus nogal wat bedenkingen. Ik zou willen pleiten voor een scherpzinnige, op theologie en filosofie gefundeerde poëzie. Een poëzie die raakt aan de grenzen van ons menszijn, niet door de dood tegen te gaan middels een schreeuwerig vitalisme, maar door dood en leven in hun juiste kosmische verband te plaatsen.
De 'Four Quartets' (1943) van T.S. Eliot zijn hiervan een mooi voorbeeld, en zelfs een recent gedicht als 'Gods element' van Koos Geerds kun je in die context appreciëren. Of de fraaie meditatieve gedichten van Martin Reints, waarvan er onlangs een paginagroot in Trouw stond (Letter & Geest, 28 december).
De diepzinnige poëzie waar David van der Poort zo tegen is, is volgens mij de enige poëzie die 'poëzie' mag heten.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.