“De orkaan Mitch is uitgegroeid tot een van de krachtigste van deze eeuw”, schrijft weerman Jan Visser op woensdag 28 oktober in Trouw. Een dag later zit Michelle Klünder, op weg naar Nederland na een reis door Midden-Amerika, in de bergen van Honduras middenin het noodweer. Dagboek uit een rampgebied.
'Que barbaridad' is het enige dat de man achter ons in de bus nog kan uitbrengen en hij herhaalt het vele malen. 'Que barbaridad', wat een verschrikking. Dit is erger dan de orkaan 'Fifi' in 1974 roept hij, en Fifi was vreselijk. We zijn op weg naar San Pedro Sula, in het noordoosten van Honduras, om terug te vliegen naar Nederland. Dat komt er voorlopig niet van.
Onderweg is alles water. De anders vrijwel droge rivierbeddingen waar de bus langs rijdt, zijn nu overvol. Modderstromen spoelen hier en daar de weg op, takken, stenen en allerlei rotzooi met zich meesleurend. In San Pedro zijn hele woonwijken ondergelopen, daken steken keurig op rij boven het water uit.
's Nachts roffelt de regen op het golfplatendak van de hospedaje waar we slapen. De houten deur van onze kamer sluit niet, te veel vocht. Het regenen gaat steeds harder en harder, het is oorverdovend. Wanneer het maximum lijkt bereikt, geeft iemand nog een draai aan de volumeknop.
Middenin de nacht klinken buiten opgewonden stemmen. Zo'n vijftien mensen zijn bezig een vrachtwagentje uit te laden. Ze zijn weggeregend in hun eigen huis. Alle gasten helpen met het sjouwen van matrassen, kleding en stoelen en zijn binnen vijf seconden doorweekt. Een man kijkt omhoog en ziet vaag de maan schijnen. “Morgen is het droog”, stelt hij vast.
Helaas. De volgende ochtend moeten we op zoek naar een ander hotel, onze kamer staat onder water. Bijna alles zit vol, de stad is volgestroomd met slachtoffers van het noodweer. De voorpagina's van de kranten maken duidelijk hoeveel geluk we hebben gehad. In de hal van het hotel vertelt de televisie het verhaal van een ramp. Het vliegveld is onbereikbaar èn het staat onder water.
In Nederland hebben ze iets vernomen over onze storm, horen we via de telefoon. Trouw meldt zaterdag dat er 105 doden zijn gevallen. Maar ook daar in Nederland regent het, en de koningin loopt op laarsjes rond in het rampgebied.
Voor de kathedraal in het centrum van San Pedro is het druk. Volgepakte auto's worden uitgeladen. Binnen zijn honderden mensen. Ze liggen in de kerkbanken, slapen op matrasjes op de vloer, stonden of staan tegen pilaren geleund.
Carlos (40) is met vrouw en drie kinderen vannacht aangekomen. Ze hebben alleen de kleren nog die ze dragen. Ze hadden niet eerder willen vluchten, bang voor plunderingen. Maar toen het water tot aan het dak stond, hadden ze geen keus meer. Anderen doen hun verhaal. Maria zit hier met drie kinderen, twee is ze er kwijt. Dolóres heeft een doodzieke baby op haar arm. Waar haar man is, weet ze niet. We kunnen niets doen.
De volgende dag gaat de zon zwak schijnen. Bij de rivier is een enorme ravage. Hele stukken oever zijn weggeslagen. Overal liggen ontwortelde bomen en delen van huizen, en overal stroomt de modder. De hulpverlening komt op gang. Wij kunnen morgen eindelijk wat nuttigs doen. Marco, die voor een kleine katholieke organisatie werkt, kan elke hand gebruiken.
In de lobby van hotel Sula, met de enige werkende telefoon, zit een groepje Amerikanen. Het blijkt een medisch team dat vóór Mitch in een Hondurees dorp heeft gewerkt. Waarom ze nu niets doen? Het enige wat ze willen is naar huis, weg uit dit rotland. Ze wachtten op bericht van hun ambassade over hun vertrek en doden de tijd met hamburgers en whiskey.
De vliegtuigmaatschappij belooft op maandag dat ze 'naar een oplossing zoekt'. We melden ons daarom bij 'de katholieken' van Marco. Van enige co"rdinatie bij de hulpverlening is nog geen sprake. Marco's club ontfermt zich over de daklozen in het stadion, zo'n drieduizend mensen.
De vrouwen maken voedselpakketten, en wat ingezamelde kleding gaat in zakken. Het eten komt van bedrijven uit San Pedro. We zijn zenuwachtig als we naar het stadion rijden voor de distributie. De meesten daar hebben dagen niet gegeten. Zullen ze ons niet bestormen en vechten om de zakjes met voedsel?
Bij een zij-ingang komt een jongetje aangerend: of we eten hebben. “Dank-je-wel”, roept hij. Vele ogen staren ons aan, het stinkt er vreselijk naar mensenpoep. In een grote ruimte onder de tribunes hangen overal kleren; karton op de grond dient als bed. Het bleef rustig en stil.
Iedereen wacht keurig in de rij als Maria, van de gemeente, een voor een de namen van de 52 families hier opdreunt. Per gezin komt iemand naar voren. Niemand liegt over het aantal familieleden. Een pond bonen, een pond rijst en wat tortilla's is er voor een gezin van zeven mensen. Binnen een uur branden in de catacomben kleine vuurtjes om te koken. Een klein joch in vieze rode korte broek trekt aan m'n T-shirt. Of we ook kleren kunnen brengen want hij heeft niks meer. “Morgen”, beloof ik.
Dinsdagochtend gonst het van de geruchten. De hoofdstad Tegucigalpa is grotendeels verwoest, maar het vliegveld nog in gebruik. Met een dure bus - 60 dollar - zou je erheen kunnen. Maar misschien wordt er ook iets geregeld met kleine vliegtuigjes vanaf San Pedro. Eigenlijk weet niemand iets zeker.
De stad is enorm vervuild. Overal ligt afval op straat en het begint nu het droger wordt enorm te stinken. Op televisie klinkt het lied 'Ahora mas que nunca' (Nu meer dan ooit) in een uitzending als 'We are the world' voor de hongersnood in Afrika. Honduras moet als één volk aan het werk, is de boodschap.
De 'katholieken' hebben ons niet meer nodig. Donderdag kunnen we vliegen, tijd voor afscheid van Engelse vrienden in hotel Intercontinental. Dat is een andere wereld. Liggend in de zon onder een palm aan de rand van het zwembad, omgeven door een hoge muur, is van ellende weinig te merken. De jongen die er loopt te vegen, vertelt desgevraagd dat zijn huis onder water staat, dat hij nu met collega's in het hotel bivakkeert, en of we een droog badlaken willen? Er is een avondklok ingesteld en om acht uur is het rustig op straat.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.