In juni 1994 heeft de Hoge Raad - in het Chabot-arrest - bepaald dat ook professionele hulp bij zelfmoord aanvaardbaar kan zijn. Nu de Hoge Raad heeft gesproken is het van superieur belang te horen hoe het Medisch Tucht-college zich op 17 januari uitspreekt over de nieuwe macht die artsen dank zij de verruiming in de wetgeving hebben gekregen. Aanstaande woensdag presenteren vijf auteurs - filosoof Hans Achterhuis, theoloog en initiatiefnemer Johan Goud, psychiater Frank Koerselman, schrijver Willem Jan Otten en jurist Tom Schalken - een libel, een strijdschrift - een bundel van vijf artikelen - tegen de emancipatie van de dood en tegen het slechten van 'het laatste taboe': 'Als de dood voor het leven. Over professionele hulp bij zelfmoord' (uitg. Van Oorschot). Als voorpublicatie Willem Jan Otten: “Er is hoe dan ook een stemming ontstaan waarin het heel gewoon is geworden dat bekende actrices op de televisie vertellen dat ze euthanasie willen zodra ze bijvoorbeeld aan beide benen verlamd zijn; waarin zelfs de minister van Volksgezondheid in een kwaliteitskrant de hoop uitspreekt dat “eens de dood even gewoon zal zijn als geboorte” . . . een hoop die, zo uitgesproken, boven alles op verwarring wijst, - hoezo geboorte gewoon, hoezo dood gewoon?” Over twee weken volgt in Letter & Geest een discussie met een groep artsen over dit artikel en over Ottens roman Ons mankeert niets.
In het interview op de televisie, dat enkele dagen na zijn dood werd uitgezonden, deed Venema een voorspelling. Over tien jaar, zei hij, zouden we glimlachen over dit optreden van hem, want dan zou het heel gewoon zijn wanneer mensen die dood willen van hun arts de medicijnen krijgen voor een milde dood.
Met deze voorspelling was een toon gezet. Er werd ons gevraagd te veronderstellen dat er een emancipatie gaande was. De dood, die dank zij de gevorderde wetenschap zoveel milder en zachter kan zijn dan voorheen, zou uit de taboe-sfeer gehaald worden. Zelfmoord zou, zoals dat heet, 'bespreekbaar' worden. Verzet daartegen zou eens zo achterlijk gevonden worden als verzet van zwarte kousen tegen vaccinatie. En Venema had, zo wilde hij ons doen geloven, een spits afgebeten.
Weinig weersprak zijn voorspelling. Venema's schrijvende vrienden hadden op de welsprekendste wijze hun respect betuigd voor zijn zelfmoord. Het was inderdaad alsof er, min of meer plechtig, een Ontwikkeling in gang was gezet. Eens zouden we glimlachen om de vrieskou die sommigen voelden toen ze hoorden van de publieke wijze waarop de schrijver zijn besluit had genomen en uitgevoerd.
Kort voor Venema's daad was er een ander gedenkwaardig televisieprogramma te zien geweest. Het had de welgemikte titel Op leven en dood. Oppervlakkig bezien was het een spelletjesprogramma-met-panel. Zo'n opzet waarbij mensen kunnen beoordelen wat 'kandidaten' doen en degeen die de meeste stemmen krijgt wint een Met Name Genoemd Automobiel.
De reden waarom dit programma onvergetelijk zou worden is de aard van zijn kandidaten. Dat waren twee pasgeboren babies. Ze werden vertegenwoordigd door hun ouders en die vertelden hoe moeizaam hun baby ter wereld was gekomen. Te vroeg, te krakkemikkig. Eigenlijk had hun baby alleen kunnen overleven, zo bleek, dank zij een heel bijzondere, peperdure couveuse.
Toen beide ouderparen hun aangrijpende verhaal hadden gedaan werd het panel, bestaande uit 'gewone Nederlanders', de volgende vraag voorgelegd: gesteld dat u de dienstdoende arts was geweest en dat u de beschikking had gehad over maar één zo'n peperdure couveuse. Gesteld ook dat deze twee babies (inmiddels Baby A en Baby B genoemd) gelijktijdig in uw ziekenhuis waren geboren. Welke van de twee zoudt u de couveuse gunnen?
Het nieuwe, en volkomen originele aan Op leven en dood was dat er plotseling door 'gewone Nederlanders' beschikt kon worden over heuse mensenlevens. Het was of Baby A of Baby B. Dat beide babies allang gered waren; dat beide ouderparen alleen maar hadden gedaan alsof hun kind nog in de couveuse moest, deed er plotseling totaal niet meer toe. Zonder dat iemand in de studio het door leek te hebben werd er, voor onze ogen, door twintig mensen die op een knop mochten drukken, besloten dat Baby A mocht blijven leven.
Bij nadere beschouwing betekende dat natuurlijk vooral dat men besloten had om Baby B te laten sterven. Zo pakte het spelletje namelijk uit: een 'gewone Nederlander', dat wil zeggen een vrouw van ongeveer zestig, mocht een stemverklaring afleggen, en ze zei dat ze tegen Baby B had gestemd omdat ze het gevoel had dat de moeder de opvoeding van een kind minder goed aan zou kunnen dan de moeder van Baby A.
Alles was onvergetelijk aan het programma, maar het onvergetelijkst was de blik van Moeder B, toen ze ineens begreep dat haar kind een doodvonnis had gekregen. Dat dit geen spel meer was. Dat er in de studio een vrieskou was neergedaald. Ze keek naar de vrouw die de verschrikkelijke woorden had uitgesproken, met een machteloze, bijna bijbelse woede - maar ze zag koning Salomon niet, ze zag een 'gewone Nederlandse' die onmiskenbaar een keihard genot smaakte: dat van te mogen beschikken, en plein public, over leven en dood. Van mogen zeggen 'dat ze het er best moeilijk mee had', en het allemaal intussen toch zeggen.
Het was iets nieuws en het was obsceen. Mannen en vrouwen, zelf ongetwijfeld veelal ouders en grootouders, die onmiskenbaar opgewonden raakten van mogen zeggen dat Baby B minder levensvatbaar was dan Baby A. Die baadden in het warme bad van consensus; die van de NCRV en van elkaar toestemming hadden gekregen om vonnissen uit te spreken, oordelen te vellen, beschikkingen te plegen, op fatale knoppen te drukken . . . die, kortom, even op de plaats van God mochten gaan zitten. En wat het programma leerde is dat wie in de gelegenheid wordt gesteld om op die plaats te gaan zitten iets verliest. Iedereen die macht krijgt toebedeeld, zelfs al is het maar in een spelletje, lijkt die macht ook te willen gebruiken. Er was in de studio niemand die niet op de knop drukte; niemand die niet, desgevraagd, een stemverklaring wilde afleggen, niemand die zei: maar dit kan niet, het is niet aan mij om hier te doen alsof ik beschikken kan.
Wel was er, lang na afloop, de verdediging van dit programma tegen onder meer mijn aanval er op: mijn reactie was moralistisch geweest, ik wilde niet begrijpen dat er door dokters zulke beslissingen genomen moeten worden, waar haalde ik het recht vandaan zo streng over 'gewone Nederlanders' te oordelen, en trouwens mijn argumenten werden gedeeld door het Vaticaan, dus behoorden ze tot het fundamentalistische achterhoedegevecht dat sowieso verloren wordt.
Op leven en dood bleek achteraf geen incident te zijn geweest. Ook door dit programma is een toon gezet. Zonder enige overdrijving kunnen we spreken van een cultus van de zelfbeschikking. Het voorlopige hoogtepunt van deze cultus was, in oktober 1994, de documentaire Dood op verzoek, waarin een volledige euthanasievoltrekking werd vertoond, voorafgegaan door beelden van gesprekken waarin onder meer tot het besluit van deze daad werd gekomen.
Venema leek gelijk te hebben gekregen - met dien verstande dat de termijn van tien jaar, die hij had uitgetrokken voor de emancipatie van de dood en het slechten van het taboe op hulp bij zelfmoord, nog wel eens te ruim zou kunnen zijn.
Het glimlachen om zijn euthanatische optreden op de Amsterdamse kabel kon zijn aanvang nemen. Venema was, zoveel is duidelijk, te vroeg gestorven.
Er is tussen Venema's zelfmoord en Dood op verzoek veel gebeurd. Het belangrijkste was ongetwijfeld dat de Hoge Raad heeft uitgesproken dat hulp bij zelfmoord ook aanvaardbaar kan zijn bij niet-terminale gevallen. Weliswaar is het niet zo dat iedereen die dood wil van de dokter zijn milde medicijn kan krijgen (er moet sprake zijn van 'ondraaglijk lijden' dat 'mede gelet op de stand van de wetenschap als uitzichtloos mag worden aangemerkt'), maar dat neemt niet weg dat er een reuzenstap is gezet.
Onder de morele paraplu van het arrest in kwestie - dat van de zaak van de Haarlemse psychiater B. E. Chabot - is nu bij wijze van spreken een televisie-uitzending denkbaar waarin drie aanstaande zelfmoordenaars ten overstaan van een dokter hun doodswens motiveren, waarna de dokter, na ruggespraak met een tweede arts, een van de drie als de overtuigendste aanwijst. Dit alles om de discussie over zelfmoord uit de taboesfeer te halen.
Het lijkt een zouteloze chargering, 'het is toch een ernstig onderwerp' - maar ook mijn beschrijving van het spelletjesprogramma Op leven en dood zou badinerend zijn als die uitzending nooit had plaatsgevonden. We zijn in de discussie over euthanasie al lang het punt gepasseerd waarop het alleen maar gaat over levensbeëindiging bij terminaal zieke patiënten, - het onderwerp is verschoven naar wat van oudsher zelfmoord is, maar abusievelijk, met een eufemistische hardnekkigheid, euthanasie blijft heten. Ook deze hang naar wollige, medisch klinkende woorden is typerend. Een enigszins Grieks uitziend woord maakt het, geloof ik, makkelijker om er niet aan te hoeven denken dat wanneer bijvoorbeeld een oud iemand zelfmoord pleegt, er sprake moet zijn geweest van wat Norbert Elias “de eenzaamheid van stervenden in onze tijd” heeft genoemd. Ook wanneer de zelfmoordenaar er professionele hulp bij heeft gehad.
Er is hoe dan ook een stemming ontstaan waarin het heel gewoon is geworden dat bekende actrices op de televisie vertellen dat ze euthanasie willen zodra ze bijvoorbeeld aan beide benen verlamd zijn; waarin bekende columnistes in een praatprogramma met een arts de wijze waarop ze willen sterven bespreken; waarin bekende presentatrices tijdens een talkshow almaar opgewondener beginnen te praten over hoe zacht en mild en wegglijdend sterven per infuus zou kunnen gaan; waarin bekende cameramannen de zelfbeschikte dood die ze hebben kunnen filmen een 'godsgeschenk' noemen; waarin huisartsen die iemand die niet ziek was per injectie aan hun einde geholpen hebben vertellen dat zij tijdens deze handeling een 'semi-religieuze ervaring' hebben gehad; waarin zelfs de minister van Volksgezondheid in een kwaliteitskrant de hoop uitspreekt dat “eens de dood even gewoon zal zijn als geboorte” . . . een hoop die, zo uitgesproken, boven alles op verwarring wijst, - hoezo geboorte gewoon, hoezo dood gewoon . . . er heerst onmiskenbaar dat wat Andreas Burnier tien jaar geleden, in de tijd van de eerste brede discussie over het onderwerp, euthanasiasme heeft gedoopt.
Euthanasiast, zo kunnen we de sfeer dopen waarin gezonde mensen er behagen in scheppen om publiek te maken wanneer zij vinden dat hun leven maar beter kan worden beëindigd; wanneer zij, uit angst voor het lijden van anderen, lang voor het hun eigen tijd is, de dood gaan zien als een uitweg - hoe theoretisch en ver weg die mogelijkheid verder ook is. Het is een sfeer waarin het tragische, dat aan ieder leven kleeft, steeds meer wordt ontkend, - omdat het steeds moeilijker wordt om te begrijpen waarom mensen die wel lijden eigenlijk geen zelfmoord plegen. Daar zijn toch uitstekende, en zachte, middelen voor?
Binnen dit euforische, grensoverschrijdende klimaat was de wijze waarop psychiater Chabot zijn eerste publieke stap over de rand van het taboe op (hulp bij) zelfmoord zette een wonder van terughoudendheid. Toch had ook zijn verslag, dat Zelf Beschikt heette, en dat in november 1994 verscheen, een wervende bedoeling.
Dat kan natuurlijk niet anders. Een taboe functioneert zo lang het vanzelf spreekt dat de overschrijding ervan onjuist is. Het feit dat daar niet over gediscussieerd kan worden bepaalt de kracht van het taboe. Psychiater Koerselman memoreert in zijn bijdrage aan deze bundel artikelen het taboe op seksueel contact van psychiaters met patiëntes. Het is volstrekt duidelijk dat overschrijding hiervan nooit kan betekenen dat het taboe ineens ter discussie staat. De psychiater die zijn begeerte niet in bedwang heeft kunnen houden en aangeklaagd wordt, opent daarmee niet de discussie over het taboe, - integendeel: hij is een tragische figuur, iemand die door elkaar uitsluitende krachten (ontzag voor het taboe en hartstocht voor de patiënte) verscheurd is geraakt. Zijn verscheurdheid verdient ons respect omdat hij, nu hij berecht wordt, zijn aansprakelijkheid en zijn verantwoordelijkheid erkent. Het is vooralsnog ondenkbaar dat zijn seksuele handelingen 'uit de achterkamertjessfeer' gehaald moeten worden.
Chabot presenteerde zijn overschrijding als een discussie over de houdbaarheid van het taboe. Daarmee was hij meer geworden dan een dokter die, zich geplaatst wetend voor een verscheurend, tragisch dilemma, had moeten kiezen voor wat hij heeft gedaan: hij was lid van het grote, publieke koor der taboe-doorbrekers geworden. Hij wilde niet alleen dat we begrepen dat hij zijn patiënte had moeten helpen, al dan niet na innerlijke tweestrijd en gewetensonderzoek - hij wilde ook nog dat we, na lezing van zijn verslag, zouden zeggen dat het des artsen goed recht is om over de gerechtvaardigdheid van andermans doodswens te oordelen en om, indien hij die doodswens kon begrijpen, de patiënt datgene te geven wat die zelf kennelijk nergens kon krijgen: het middel, of de methode, om te sterven. VERVOLG OP PAGINA 18
VERVOLG VAN PAGINA 17
Het verschil tussen de sober formulerende, terughoudend vertellende Chabot en de euforische mevrouw in het spelletjesprogramma Op leven en dood is gradueel, niet cruciaal: beiden eisen het recht op om, en plein public, te kunnen zeggen dat iemand wat hen betreft dood mag; en dat zij uiteindelijk niet weten waarom zij zouden moeten aarzelen de handeling te verrichten die deze dood mogelijk maakt. Voor de mevrouw was dat een druk op de knop, samen met twintig anderen; voor Chabot, na een periode van enkele maanden behandelen, de overhandiging van een dodelijk gif. Beiden vinden het juist om hardop, in een soort discussie, op de plaats te gaan zitten waarvan we eens, in onze machteloosheid, zeiden dat God daar zat: daar waar beschikt kan worden over leven en dood. En beiden putten zich uit in vertellen hoe moeilijk ze het er mee hebben, hoe zwaar de kwestie op ze drukt - en dus: hoe integer ze wel niet met de materie zijn omgegaan.
Maar wat ze niet zeggen is dat ze een macht in handen gespeeld hebben gekregen die te groot voor mensen is. Die degeen die hem desondanks bezit verandert. Die daarom aan banden gelegd moet worden - met behoedzaamheid, zelfonderzoek, zelfbeheersing, met schaamte, angst voor het onherroepelijke, vrees voor nachtmerries en opspelend geweten.
Ze willen gelijk hebben, waar ze alleen maar kunnen weten dat zij iets onherroepelijks hebben gedaan, iets dat nooit meer anders zal kunnen. Ze ervaren hun nieuwe toestand niet als verscheurend; ze willen het parket waar ze in zijn komen te verkeren niet als tragisch ondergaan.
Ons besef van wat tragisch is hebben we te danken aan de Griekse tragedies. Het draait daarin bijna altijd om een taboe, en om de overschrijding daarvan. Of het nu Oedipus is, die zonder het te weten met zijn moeder is getrouwd; of Agamemnon die de goden gunstig stemt door zijn kind te doden; of Clytaemnestra die haar ontrouwe verhouding wil redden door haar echtgenoot om te brengen; of Medea die in een vlaag van jaloerse razernij haar kinderen doodt - altijd wordt er op een moorddadige en dus onherroepelijke wijze een gebod overtreden.
Toch was het niet de bedoeling van de tragedieschrijvers om de toeschouwers het gevoel te geven dat de taboes en de geboden 'uit de achterkamertjessfeer' gehaald moesten worden. Ze wilden integendeel juist dramatiseren hoe onontkoombaar de macht van het taboe was. Daardoor konden ze tevens dramatiseren hoe mateloos groot het verlangen naar zelfbeschikking bij de mens was. Voortdurend draait het om de botsing tussen het verlangen van mensen om 'zelf hun eigen werk te zijn', en de kracht van de 'noodzakelijke machten'.
Overigens is het verlangen om over lot en leven te kunnen heersen in veel tragedies ook een onbeheersbare, goddelijke kracht, zoiets als wat wij nu misschien 'Faustisch' zouden noemen.
Wat tragedies in ieder geval leren is dat er tijdens deze botsingen tussen rede en taboe, beheersing en hartstocht, goddelijke oekazes en menselijke verordonneringen, sprake is van personages die tot hun daden gedreven worden. Eigenlijk is iedere tragedie opnieuw een oefening in bepalen wat mensen kunnen willen, wat zij moeten willen, wat zij nimmer kunnen willen. In de meeste tragedies zijn mensen, zodra zij voor hun laatste dilemma's worden geplaatst, oneindig veel minder autonoom dan wij, in onze maakbare samenleving waar alles om zelfbeschikking lijkt te gaan, geneigd zijn te denken. En juist de personages met de grootste macht (Oedipus, Agamemnon, Kreon, ze beschikken vrijwel over almacht) komen in een verhaal terecht waar zij stapsgewijs van hun zeggenschap over zich zelf en hun leven worden beroofd.
Dat is de paradoxale beweging van veel tragedies: hoe dichter iemand staat bij het kunnen nemen van andermans leven, des te minder handelt hij of zij uit dat wat wij dolgraag 'vrije wil' zouden noemen.
Dat is de tragische, tweeëneenhalfduizend jaar oude waarschuwing: hoe meer macht, des te minder greep op onze wil.
“Wat is dit voor wezen”, vraagt de Franse classicus Jean-Pierre Vernant zich af van de tragische held, “dat de tragedie hem beschrijft als een deinos, een onbevattelijk en verbijsterend monster, dader en slachtoffer ineen, schuldig en schuldeloos, helderziende en blind, wiens ijverige geest de hele natuur kan domineren en die toch onmachtig is over zich zelf te heersen?”
Ik zal niet de eerste zijn die beweert dat als er in een democratische verzorgingsstaat één taboe is, het dat op macht is. Politici, politie-agenten, opvoeders - ze zijn in eerste instantie geneigd om te benadrukken dat zij een mandaat hebben, nooit helemaal zelf alles kunnen willen, vanuit een consensus opereren, compromissen moeten sluiten. Ook artsen, is mijn ervaring, vinden het moeilijk om de onmiskenbare macht die zij in hun spreekkamer bezitten te erkennen of te overpeinzen. Toch gaat het om een macht van de direktste soort - onmiddelijke macht over andermans lichaam, dat bovendien vaak angstig en zwak is. Oneindig veel liever spreken artsen over hun technisch kunnen, en, eventueel, als het moet, over hun machteloosheid, zodra hun kunnen het laat afweten. Dat is de houding van de professional, - ook in de kwestie die hier aan de orde is, zelfmoord, die voor de betrokkene bijzonder weinig met 'kunnen' uitstaande heeft. Sterven is immers geen beroep.
Het vervelende, om niet te zeggen: tragische, aan erkennen dat je botweg macht toebedeeld hebt gekregen, is dat je vervolgens moet erkennen dat je aansprakelijk bent. In Amerika, waar minder verhullend met macht wordt omgegaan, is er dan ook een regelrechte procescultuur ontstaan, waar de aansprakelijkheid van de arts wordt uitgedrukt in de schadevergoeding doe je van hem eist zodra hij gefaald heeft; en waar de arts zijn eigen macht helder uitdrukt door middel van de hoogte van zijn gage.
Het is niet verbazingwekkend dat Chabot de macht die hij tijdens zijn behandeling van Netty had, nauwelijks ter sprake brengt. In de loop van het relaas minimaliseert hij zijn macht tot het uiterste; steeds minder is hij aansprakelijk, steeds meer is zij degene die de regie in handen neemt - tot op een punt waar het bijna is alsof zij hem uit een of andere brand moet helpen. Netty durft, zegt Chabot, uiteindelijk maar om één reden niet zelf, zonder hulp, zelfmoord te plegen - en dat is omdat zij bang is anderen te belasten met de 'blubber' die zij, bijvoorbeeld door voor een trein te springen, zal veroorzaken. Chabot heeft de macht om haar te verlossen van deze angst. Hij kan zeggen: jouw dood zal mij uiteindelijk niet belasten, ook niet als ik je de medicijnen overhandig. Dat is zijn macht, die heeft hij aangewend, dat is zijn tragedie.
Maar als een tragedie heeft hij het niet willen ondergaan; hij heeft ons gevraagd om, naar aanleiding van zijn daad, het taboe op hulp bij zelfmoord te heroverwegen.
De gang die Chabot in zijn versie van de zaak maakt is precies omgekeerd aan die van, zeg, Oedipus in de tragedie. Die begint 'argeloos', hij weet van geen schuld, hij heeft niets fout gedaan - en dan wordt langzaam, stap voor stap, duidelijk in welk noodlottig web zijn leven is ingesponnen. Per scène wordt duidelijk dat hij wel betrokken is bij de overtreding van taboes; dat hij niet wist wie hij eigenlijk was; en ten slotte dat hij volledig aansprakelijk was voor alles, zelfs voor daden waar hij niet van had kunnen weten dat hij ze had begaan.
Chabot wist daarentegen meteen al tijdens de eerste ontmoeting met Netty dat er een overschrijding van een taboe in de lucht hing. Ze was bij hem gekomen na bemiddeling van de Vereniging voor Vrijwillige Euthanasie. De 'schuldige gedachte' moet ogenblikkelijk in hem hebben postgevat, ofschoon te betwijfelen valt of de gedachte als schuldig is ondergaan. Later heeft hij in de Volkskrant verklaard de algemene, voor iedereen openstaande mogelijkheid van een milde, zachte zelfmoord te beschouwen als het 'toppunt van rijkdom.' Als hij al voor Netty's komst zoveel mogelijk mensen van deze rijkdom wilde laten genieten, dan moest hij zich zelf steeds meer als een instrument van haar doodswens gaan zien, wat zeggen wil: hij heeft de overschrijding van het taboe, de schending van de Eed van Hippocrates, bij voorbaat al omgedacht tot iets wat hij moest doen. En vervolgens wordt wat moest zijn goed recht.
De titel van zijn boekje is bijzonder goed gekozen - vooropgesteld dat die slaat op alleen Netty's dood. Slaat hij ook op Chabots aandeel, dan had de titel niet slechter kunnen zijn: Netty's dood is nu juist waarover hij, zo beweert hij zelf, niets te zeggen had; het was haar bezit, haar rijkdom, en daar heeft hij zich naar gevoegd. Hij was haar instrument. Het taboe dat hij heeft overschreden moet dan ook door hem compleet worden afgeschaft - anders zou hij, net als Oedipus, aansprakelijk zijn. Voor die afschaffing vraagt hij onze toestemming.
Het heeft op een bepaalde manier iets noodlottigs, deze Werdegang van de psychiater. Hij heeft, aan het eind van zijn omgang met Netty gekomen, de grootste macht gesmaakt die een mens over een ander kan hebben. Netty durfde immers zonder zijn medicijnen geen zelfmoord te plegen. Ze had het finale gebaar nodig - zijn hand die haar het laatste drankje gaf. Ze had hem nodig om te durven. Ze was exact even bang voor het leven als voor haar dood. Er was maar een iemand die haar van dit koord, met aan allebei de uiteinden gapende diepte, kon duwen. Het is een afgrijselijk idee dat Chabot dit fatale duwtje, dat uit een medicijn bestond, en uit een gebaar van overhandiging, dat hij dat duwtje een akt van medelijden heeft genoemd. Met dat woord - zelf gebruikt hij compassie - heeft hij zich zelf, zo lijkt het, definitief tot willoos instrument gereduceerd, en in principe de sluizen van andermans willekeur geopend. Terwijl hij op dat moment, nogmaals, over de grootste macht beschikte waarover een mens beschikken kan. Hij kon een gebaar maken dat haar deed durven.
Wat moet je stellen tegenover iemand die een ander heeft helpen sterven, en die voor deze daad om instemming vraagt, omdat hij vindt dat hulp bij zelfmoord niet langer taboe hoeft te zijn?
Ik kan alleen maar zeggen dat er in mijn ogen geen instemming bestaat; dat ik de instantie die hiermee in kan stemmen niet ken; dat ik ontzag heb voor het taboe. Doordat de Hoge Raad bepaald heeft dat een daad als die van Chabot aanvaardbaar kan zijn, is het nog weer vanzelfsprekender geworden voor mensen om voor anderen te gaan bepalen of ze mogen leven of niet.
Hoe noodlottig en, in mijn ogen, gedreven Chabot ook heeft gehandeld - toch was hij niet passief. Hij was geen instrument. Hij heeft een nederlaag geleden. Het onrustbarende is dat zijn nederlaag desondanks is omgetoverd tot een recht.
De illusie dat de dood een uitweg kan zijn uit problemen, zelfs uit die van Netty; dat hij een oplossing is voor een tragedie, moet te allen tijde, ook door de wetgever, worden bestreden.
“Het woord oplossing raakt niet aan het tragische”, schreef John Berger. “We moeten ons laten raken door het tragische. Misschien veranderen we er door.”
Chabot is niet de enige, maar hij is, mede door het arrest dat er van zijn zaak is gemaakt, de meest illustere van de lange rij deelnemers aan het debat over de grenzen aan de zelfbeschikking. Het debat is nog lang niet ten einde, het belooft slopend te worden, omdat veel deelnemers gecapituleerd zijn voor de verleiding te denken dat zij de oplossing zijn. De buitenmenselijke remedie. Want dat is de dood. Het buitenmenselijke dat op het laatste, uiterste moment kome.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.