In de townships Thokoza en Kathlehong, nabij Johannesburg, zijn de afgelopen vier jaar naar schatting vijf- a zesduizend doden gevallen in de strijd tussen ANC en Inkatha. President De Klerk heeft het gebied uitgeroepen tot 'onrustgebied', en het leger politietaken gegeven. Natuurlijk gaan de mensen stemmen, voor het ANC, die betere voorzieningen, banen en huizen belooft. Maar dat alles is ondergeschikt aan een grote wens: verlossing van Inkatha.
Het water hebben ze in emmers en teilen afgetapt uit een tankauto: de waterleiding is al ruim een week buiten werking. Niemand weet waarom, of hoe lang het nog gaat duren. Niemand weet wie het wel zou kunnen weten. Ook de elektriciteit valt trouwens geregeld uit, en de riolen zijn om de haverklap verstopt.
Maar zonder water wordt het leven echt primitief. De uitgebreide, kinderrijke gezinnen die de mini-huisjes bevolken, moeten koken, en zichzelf en hun kleren wassen met het water uit de emmers. “Ik ben uren extra in de weer met dit gedoe”, klaagt de vrouw van de dominee.
Het gerucht gaat dat ze in de hostels wel water hebben.
In de hostels, daar wonen de Zulu's. Maar pas op het woordgebruik. Want in Thokoza, dat in totaal naar schatting 250 000 mensen telt, wonen misschien nog wel meer Zulu's dan in de twee arbeidershostels aan de rand. Hebben de township-bewoners het over 'de' Zulu's, dan bedoelen ze niet de Zulu's in hun midden. 'De' Zulu's, dat zijn die van de hostels: de Zulu's van Inkatha.
In het cafe delen vijf mannen lodderig hun fles bier. Zodra het vreemde bezoek de woorden 'Inkatha' en 'Zulu' laat vallen, windt een grijsaard zich bijzonder op. Hij is een Zulu, en hij wil het woord Inkatha niet horen. “Ik ben in geen vier jaar meer thuis geweest”, vertelt hij. 'Thuis', dat is KwaZulu, het thuisland waar Inkatha-leider Mangosuthu Buthelezi premier is. “Ik kan daar niet meer komen, omdat Inkatha me bedreigt”, vertelt de oude. “Ze vallen ook mijn familie lastig, omdat ik geen Inkatha-lid ben.” Demonstratief steekt hij zijn ANC-lidmaatschapskaart in de hoogte.
“Waar we nu lopen, is het heel, heel gevaarlijk”, zegt meneer Mabuza, inwoner van 'Sectie F', een van Thokoza's meest verwoeste wijken aan de rand van het township. Onkruid golft uit de tuinen over de hekjes, de uitgestorven straten in. Sprinkhanen tsjirpen. Tussen de zwart geblakerde huizen vol kogelgaten kun je het hostel zien liggen, honderd meter niemandsland verderop: een langgerekt, recht-toe-recht-aan bakstenen gebouw, misschien drie verdiepingen hoog. “Vorige week nog werd in deze straat iemand doodgeschoten door sluipschutters in het hostel. Waarschijnlijk gebruiken ze geluiddempers, want niemand had iets gehoord.”
Twee straten, parallel aan het hostel, zijn vrijwel ontvolkt. Enkele dapperen (roekelozen, wanhopigen? ) keren nu weer terug. De familie van William Radebe zit onder de pergola, begroeid met druiveranken, uit te puffen van het poetsen en verven. Hun opgeknapte huis blinkt haast provocerend, tussen de staketsels links en rechts.
William Radebe, een jaar of vijftig, vertelt dat de eerste grote moeilijkheden begonnen in oktober vorig jaar. “Uit het hostel kwamen mannen met een schrift onder de arm. Ze wilden tien Rand (zes gulden) contributie. Voor bescherming, zeiden ze. Van dat geld zouden ze wapens en munitie kopen. Ik weigerde.”
“Op een nacht hoorde ik schieten in de straat. Overal om me heen klonken schoten. Daarna hoorde ik drie keer fluiten: 'Tuut, tuut, tuut!' Ik keek uit het raam en zag een casspir (politie-pantserwagen) staan. Het fluitsignaal was een teken van de politie-agenten aan de aanvallers, dat ze moesten ophouden. Ik zag drie Zulu's in de casspir stappen, en richting hostel wegrijden.”
“Toen heb ik mijn jongste kinderen en mijn vrouw ondergebracht bij kennissen, een eindje verder het township in. Ik besloot te blijven, samen met mijn oudste zoon, om mijn huis te beschermen. We kochten ook een geweer. Maar mijn zoon werd gearresteerd, met het geweer. Dagenlang ben ik van het ene naar andere politiebureau gelopen. 'We houden je zoon nog vast', zeiden ze, 'er is niets met hem aan de hand.' Na drie weken zoeken kreeg ik een tip van iemand in het lijkenhuis. Daar vond ik hem, doodgeschoten, met een kogel in zijn hoofd en in zijn kruis.”
“Een paar dagen later waren de Zulu's weer terug in de straat. Ze trapten deuren in, schoten, en plunderden huizen. Ik wilde nog gauw mijn hek afsluiten, maar toen kwamen ze op me af. 'Doe je deur open!', riepen ze. Ik ben gevlucht via de achterkant.”
Dat was op 16 oktober vorig jaar. William Radebe dook onder bij kennissen. Vorige maand keerde hij terug. Natuurlijk is hij bang. Na afloop van de op een bloedbad uitgelopen demonstratie in Johannesburg, vorige maand, was het weer raak in het township. Inkatha-leden schoten vanuit het hostel en vanaf de weg die naar het hostel loopt. Het leger keek toe, zonder in te grijpen. Drie township-bewoners werden gedood.
Maar William wil niet weer onderduiken. “Vooral 's nachts ben ik bang. 's Nachts zingen de Zulu's, de hele nacht door, we kunnen er niet van slapen. Het is heel beangstigend, want voordat ze aanvallen, zingen ze ook altijd. Maar ik blijf. Als ik sterven moet, dan sterf ik.”
In de jaren '50, toen de apartheid nog in aanbouw was, werd Thokoza gebouwd. Overal in het land, op veilige afstand van de steden, verrezen townships, woonoorden van de zwarte arbeiders, die werkten in de (exclusief witte) steden. De township-bevolking breidde zich uit - wat nogal logisch was, maar niet gewenst. Zwarten dienden immers zoveel mogelijk in de thuislanden te wonen, die op den duur allemaal onafhankelijk moesten worden. Maar aan improduktieve kinderen in de arbeids-reservoirs van de townships was geen behoefte.
Daarom werden in de zestiger jaren de arbeidershostels gebouwd. Daar mochten alleen mannen wonen, op tijdelijke contracten. Na afloop van hun contract of bij ontslag moesten deze arbeiders, gerecruteerd uit de thuislanden, daarheen terugkeren. Veel arbeiders in de hostels bleven met een been in hun thuisland, waar hun familie nog zat, en met het andere in het hostel.
Een oude oorzaak van de spanningen tussen township- en hostelbevolking, was dat de hostel-arbeiders het minst te porren waren om hun uitermate wankele arbeidspositie te riskeren voor politieke activiteiten en stakingen. Verloren zij hun baan, dan ook hun onderdak in het hostel. Constant moesten zij vrezen dat zij zouden worden teruggestuurd naar de thuislanden, zonder perspectief op werk. De hostel-bewoners werden door de township-bevolking gezien als achterlijk, en als stakingsbrekers. Het ANC en de vakbonden schreven de hostels, broeiplaatsen van sociale ellende, grotendeels af.
In de hostels woonden vaak Zulu's. Zulu's vormen Zuid-Afrika's grootste bevolkingsgroep, en het thuisland KwaZulu heeft bar weinig werk te bieden. Inkatha, die de scepter zwaait over KwaZulu, kon op velen van hen een grote invloed hebben - al was het maar omdat Inkatha-leiders een rol speelden bij de werving van de arbeiders, en hun hielpen bij het vinden van een plaats in de hostels.
Vervolg op pagina ZZ 5
'VERLOS ONS VAN INKATHA'
Vervolg van pagina ZZ 4
De partij kon de Zulu-'gastarbeiders' die actief werden voor ANC-gezinde vakbonden ook straffen door hun familie in KwaZulu te terroriseren.
In en rond KwaZulu onstond in de jaren '80 een machtsstrijd tussen Zulu's van het ANC en die van Inkatha. De laatste jaren is de strijd uitgegroeid tot een halve burgeroorlog. In 1990 waaide de oorlog over naar de townships van Johannesburg en Pretoria. In die tijd veranderde Inkatha, van een thuislandpartij die zich opwierp als belangenbehartiger van alle Zulu's, tot een nationale partij. In het nieuwe Zuid-Afrika waarover gesproken werd, was het voor Inkatha van belang meer te zijn dan een regionale club.
Mensenrechtenorganisaties stellen Inkatha verantwoordelijk voor een agressieve campagne, vanaf 1990, om de hostels 'etnisch te zuiveren', en via deze uitvalsbases de partij-invloed buiten KwaZulu op te voeren. Een demonstratie in Johannesburg maakt nu eenmaal meer indruk dan een optocht door Ulundi (de hoofdstad van KwaZulu).
'Vroeger waren we goede vrienden', is de titel van een rapport, opgesteld door de Zuidafrikaanse mensenrechten-organisatie Independent Board of Inquiry, die een uitvoerig onderzoek instelde naar de oorzaken van het geweld in het township Thokoza. Vroeger kwamen de hostel- en township-bewoners nog wel bij elkaar over de vloer, zo blijkt uit de honderden interviews die Sally Sealy, medewerker van de Board, voerde met honderden township- en hostelbewoners. Ook haar conclusie luidt dat de verhoudingen versjteerden toen Inkatha het hostel zuiverde van niet-leden, en bewoners in de omgeving van de hostels door terreur verdreef. 'We hebben de huizen nodig voor onze leden', kregen de bewoners te horen. De politie, met name de beruchte zogeheten afdeling ISU (Internal Stability Unit), heeft vaak actief meegeholpen om de bewoners te 'verhuizen', zo blijkt uit de getuigenissen in het rapport.
In het hostel is Sally nu niet meer welkom, het Inkatha-leiderschap was niet blij met haar bevindingen. Door de spanningen is het, ook voor buitenstaanders, nu absoluut af te raden om je aan beide zijden van de scheidslijn te vertonen. “Deze journalist is ANC-lid, en wil een paar vragen stellen”, zegt mijn begeleider gemakshalve tegen de township-bewoners: neutraliteit is hier een begrip van mars.
Sally beschreef niettemin ook, hoe Zulu's in het township slachtoffer werden van moord en terreur door township-bewoners. “Vooral Zulu's die, terecht of onterecht, werden verdacht van Inkatha-sympathieen, meestal nieuwkomers in het township, moesten het ontgelden”, vertelt ze. Honderden Zulu's moesten het hostel invluchten.
Het nieuwe, democratische, non-raciale Zuid-Afrika is in Thokoza nog niet doorgedrongen. De politie ziet de township-bewoners als het verlengstuk van Inkatha, en dat is geen politieke partij maar een terreurbeweging. Toch heeft de regering niet helemaal stilgezeten. Het landelijke ANC-leiderschap drong er bij de regering op aan, dat de beruchte politie-eenheid ISU (Internal Stability Unit) werd teruggetrokken. Eerst nam het leger, merendeels zwart en in ieder geval neutraler, nam in februari hun taken over - overigens onder luid protest van Inkatha.
Deze week werd het leger weer vervangen door een nieuwe macht, de zogeheten National Peace Keeping Force. Deze nieuwe legermacht is speciaal in het leven geroepen om onrustgebieden kalm te krijgen. Het is een gemengd leger, waarin ondermeer ex-strijders van de gewapende arm van het ANC, Umkhonto we Sizwe, deelnemen. De eerste berichten waren niet bemoedigend. Inkatha verspreidde het gerucht dat de NPKF gelijkstaat aan Umkhonto we Sizwe. De nieuwe soldaten werden dinsdag onthaald op stenen, woensdag werd vanuit de hostels weer geschoten.
De regering had in februari mooie bedoelingen met de stationering van het leger. Binnen een maand zouden rust en stabiliteit weerkeren, de township-bewoners zouden weer hun huizen moeten kunnen bewonen, en het township zou ontwapend worden. Maar daarvan is bar weinig terechtgekomen. “Het leger was oneindig veel beter dan de ISU”, zegt Louis Sibeko, secretaris-generaal van de 'Civic Association' van Thokoza, “maar onze problemen zijn nog lang niet opgelost.” De 'civics', zoals de civic associations kortweg heten, zijn de alternatieve township-besturen, opgericht in de loop van de tachtiger jaren als tegenhangers van de door het apartheidsbewind aangestelde officiele township-besturen. Op openbare vergaderingen koos de township-bevolking mede-bewoners die vanwege hun rol in de township aanzien genoten (vaak leraren en zakenlui) tot vertegenwoordigers die klachten moesten voorleggen aan de gecorrumpeerde officiele township-besturen.
Sibeko's (onbezoldigde) functie is niet een erg benijdenswaardige. Bijna al zijn collega's in de civic zijn in de loop der jaren vermoord, door de ISU of door Inkatha. Begin maart was Sibeko op uitnodiging van de Nederlandse anti-apartheidsorganisatie AABN in Nederland. In Amsterdam vernam hij dat 41 mensen, waaronder vele leden van Thokoza's civic, door het leger waren gearresteerd. “Het leger wilde dat wij onze wapens inleveren”, legt hij uit. “Maar wij vonden het daarvoor nog te vroeg. Niemand vertelde ons wanneer het leger zich weer zou terugtrekken. We wilden in dat geval niet weer overgeleverd zijn aan Inkatha.” Hoe de nieuwe NPKF gaat functioneren, moet nog maar worden afgewacht. Sibeko: “Het is een totaal onervaren macht, en we weten niet wat ze precies komen doen.”
Toen de Inkatha-aanvallen begonnen, organiseerden de bewoners zogeheten SDU's (Self Defense Units, gewapende 'zelfverdedigingseenheden'): veelal jongeren werden lid, en gingen de huizen langs om te collecteren voor de aanschaf van wapens. “Ook criminelen, die makkelijk toegang hadden tot wapens, sloten zich aan bij de SDU's”, zegt Sibeko. “De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat ik mijn leven dank aan de SDU's, inclusief de criminelen. Heel Thokoza zou allang door Inkatha zijn overgenomen als we ons niet verdedigd hadden. Maar we zijn het er van harte mee eens, dat de SDU's gecontroleerd moeten worden. We hebben er geen enkel belang bij dat kinderen met Kalasjnikows over straat lopen.”
Toen het leger Thokoza introk, nam de civic maatregelen om de per wijk georganiseerde SDU's te controleren. Er kwam een 'centraal commando', met een gedelegeerde SDU-vertegenwoordiger uit elke wijk. Ook Sibeko heeft, als civic-lid, een zetel in het centraal commando. “We hebben overleg gevoerd met het leger. Ze zeiden dat iedereen die met een wapen op straat gesignaleerd werd, zonder pardon wordt neergeschoten. Dat vonden we billijk. Maar we hielden de wapens voorlopig wel achter de hand.”
Sibeko is weinig te spreken over de inspanningen van het leger. “Waarom moest het leger zo nodig mensen van de SDU's en de civic, met wie ze nota bene in onderhandeling waren, arresteren? In enkele van de meest gevaarlijke wijken patrouilleerde het leger niet. De mensen durven nog steeds niet terug naar hun huizen.”
Vorige maand, na de bloedige Inkatha-betoging in Johannesburg, riep De Klerk de townships Thokoza en Kathlehong uit tot 'onrustgebied'. De maatregel gaf politie en leger verregaande bevoegdheden. Maar het leger heeft zich niet van zijn menslievende kant laten zien. Een township-bewoner, die niet met zijn naam in de krant wil, vertelt dat hij in februari een braai (barbecue-feest) bijwoonde, toen plotsklaps soldaten verschenen.
“Drie van ons werden onder schot gehouden en geblinddoekt, en in de casspirs gegooid. We werden geschopt en geslagen. In het legerkamp gooiden ze ons, geblinddoekt, in kuilen. Ze wilden weten waar we wapens verstopt hadden, en wie onze commandanten waren. Daarna werden we naar een politiestation gebracht, waar de verhoren doorgingen. Toen werden we er opeens van beschuldigd, dat we in 1992 een moord gepleegd zouden hebben.”
Na twee dagen werden de arrestanten, bewerkt met elektrische schokken en bont en blauw geslagen, zonder aanklacht vrijgelaten, toen de Board of Inquiery een advocaat had ingeschakeld.
De leden van de Self Defense Units, veelal jongeren, beschouwen zichzelf nog steeds in oorlog. “Als je in het leger gaat, ben je een beest”, vat een SDU-lid kernachtig samen. Voor de gelegenheid moeten we hem maar Nelson noemen, want hij wil geen naam in de krant. Zijn maat, laten we hem Chris noemen, is ook bij het gesprek aanwezig. Beiden zijn tieners.
Aan zijn muurwand heeft Chris foto's van voetballers hangen. Totdat hij vorig jaar september getroffen werd door elf kogels, in zijn been, heup en zijde, dacht Chris dat hij op de goede weg was prof-voetballer te worden. Nu loopt hij op krukken, en met zijn grijs uitgeslagen rechteroog ziet hij slecht. Chris: “Verderop in het township was die dag zwaar gevochten met Inkatha. Ik ging om een uur of zeven de straat op, om poolshoogte te nemen. Ik was nauwelijks mijn huis uit, of patrouillerende ISU's openden het vuur. Ik sprong in een tuin, en een ISU kwam achter me aan. Hij schopte me tegen mijn oog. Verder weet ik niets meer. Toen ik een paar uur later bijkwam, lag ik in het ziekenhuis.”
Nelson: “Wij hoorden de schoten, en openden het vuur op de ISU, om ze van Chris weg te lokken. Dat lukte. Anderen hebben Chris naar het ziekenhuis gebracht.”
Nelson en Chris zijn het erover eens dat het mooi is, dat de ISU weg is, maar het leger vonden ze niet veel beter. Nelson: “Ze hebben mij in een casspir een ANC-t-shirt aangetrokken, en me een leeg geweer in de handen geduwd. Bij het hostel dreigden ze me voor de Zulu's te gooien, als ik niet zei wie onze commandanten waren, en waar we onze wapens verbergen.”
De leden van de SDU's, ook Nelson en Chris, hebben onlangs een 'gedragscode' ondertekend, waarin zij beloven zich voor de gemeenschap in te zetten, en hun wapens alleen te gebruiken voor het doel waarvoor de SDU's zijn opgezet. De gedragscode is een idee van de civic en het centraal commando, bedoeld om criminelen uit de SDU's te weren. De civic heeft zich ook in principe bereid verklaard, figuren die weigeren de verklaring te ondertekenen en toch met wapens rondlopen, aan te geven.
Nelson kan zich moeilijk voorstellen dat enig leger, zelfs onder een nieuwe regering met het ANC aan de macht, wel zorg zal dragen voor de bescherming van de bevolking. Voor de vrede in Thokoza hebben Chris en Nelson maar een oplossing: de hostels moeten weg, Inkatha moet weg. Nelson: “Geef ons een paar dagen, en dan hebben we die hostel afgebroken, steen voor steen.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.