In 'Ik wil leven' vertelt Trouw-redacteur Adri Vermaat het verhaal over Patrick, een hemofiliepatiënt die door toediening van bloedstollingsproducten in het begin van de jaren '80 besmet raakt met het hiv-virus. In 1987 openbaart zich de ziekte aids. Op 29 augustus 1994 overlijdt hij. Patrick is dan negentien jaar.
De titel slaat op de enorme wilskracht waarmee Patrick ondanks zijn lichamelijke ongemakken heeft geprobeerd zijn leven als scholier en puber op zo normaal mogelijke manier in te richten. Toegeven aan zijn ziekte, om die reden afzien van schoolreisjes of andere activiteiten: dat lag niet in zijn aard.
Vermaat zou het levensverhaal van Patrick waarschijnlijk nooit op papier hebben gezet, als zijn moeder, Leentje, niet na zijn dood een zeer bittere pil te slikken kreeg. Patrick hoort tot een groep van in totaal 170 hemofiliepatiënten in Nederland die in de eerste helft van de jaren tachtig besmet raakten met het hiv-virus. In 1995 constateerde de Nationale Ombudsman dat de overheid tekort was geschoten in het toezicht op de kwaliteit van bloedproducten. Minister Borst van volksgezondheid kende in goed overleg met de vereniging van hemofiliepatiënten en het Rode Kruis de slachtoffers en hun nabestaanden, indien zij al waren overleden, een bedrag toe van 200 000 gulden.
Dan verschijnt de biologische vader van Patrick op het toneel. Hoewel de zorg voor Patrick na de scheiding helemaal voor rekening van zijn moeder was gekomen, claimt deze vader voor zichzelf en zijn twee kleine kinderen die hij inmiddels bij een andere vrouw heeft - volgens het erfrecht wettige nabestaanden - driekwart van het bedrag op.
De moeder doet een beroep op Borst om de regeling zo te veranderen dat het geld alleen toevalt aan diegenen die daadwerkelijk voor de patiënten hebben gezorgd. Borst wil er om bestuurlijke redenen niet van weten. De overheid zou dan voor elk van de 170 gevallen precies moeten vaststellen wie voor de patiënten hebben gezorgd, met vermoedelijk een reeks processen vandien. Ook bij de rechter krijgt de moeder nul op het rekest. Zij heeft - diepgekwetst - het nakijken. De minister vindt dat zij het maar met haar ex-man moet uitvechten, een man die louter het juridische, niet het morele gelijk aan zijn kant heeft. Er komt niets van terecht.
Vermaat lijkt zich verregaand te vereenzelvigen met het verhaal van de moeder. Dit is vrijwel onontkoombaar, al was het maar omdat hij grotendeels is aangewezen op haar informatie. Dit effect wordt nog versterkt doordat Vermaat zoon, moeder en stiefvader consequent opvoert met hun voornamen. Daarmee ontstaat een sfeer van vertrouwelijkheid en intimiteit waardoor de lezer de neiging krijgt helemaal mee te gaan met de moeder. Maar komt puntje bij paaltje dan maakt Vermaat in het conflict tussen tussen Borst en de moeder geen keuze. Het standpunt en de redenering van de minister laat hij naast het verhaal van Leentje keurig tot zijn recht komen, zodat de lezer zelf een oordeel kan vormen.
De enige, maar wel lelijke smet die dan nog overblijft is dat de redactie van de tekst ver onder de maat is. In het boekje zijn helaas nogal wat fouten blijven staan die een goede eindredacteur niet had mogen laten passeren.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.