Valt er een rechtstreekse lijn te trekken tussen het verhitte debat over de grondslag van het CDA dat in de jaren zeventig speelde, culminerend in de 'bergrede' van ARP-voorman Willem Aantjes, en de problemen waarmee de christen-democratie thans worstelt? Ik zou niet zo gauw mijn vingers durven branden aan zo'n verstrekkende vraag. Maar gelukkig blijkt de jonge historicus Rutger Zwart (31) het wel aan te durven. Het resultaat is een fraai proefschrift over de invloed van christelijke ideologie op het fusieproces van het CDA, Gods wil in Nederland.
Kort samengevat stelt Zwart, dat de vroegere KVP en ARP, anders dan de CHU, elk op hun eigen manier de pretentie hadden Gods wil te kennen. Katholieke politici meenden die wil af te kunnen leiden uit zedelijke normen met een absolute waarde, waarvan de kerk de onfeilbare schatbewaarder was. ARP'ers kwamen globaal tot hetzelfde resultaat, maar dan aan de hand van gereformeerde beginselen die Abraham Kuyper in alle 'objectiviteit' als zodanig onder woorden meende te kunnen brengen. Zoals Zwart zegt: “Zijn woord was wet en de ARP Gods eigen creatie. Kuyper hield zijn politieke tegenstanders in eigen kring voor dat wie zich tegen hem keerde, zich tegen God keerde.” Afijn, de afloop van die torenhoge pretentie laat zich raden: in de jaren vijftig en zestig sloeg de twijfel toe en die twijfel leverde een belangrijke impuls op om zich over de christelijke partijvorming als zodanig te gaan beraden, wat uiteindelijk resulteerde in een nieuwe partijformatie, het CDA. Waar veelal wordt beweerd dat de christelijke partijen uit pure armoede en een streven naar machtsbehoud bij elkaar zijn gaan zitten, is dit een positieve manier om naar de politieke fusie van de eeuw te kijken.
Hamvraag is natuurlijk of deze fusie ook tevens een nieuwe, bezielende ideologie opleverde voor het CDA. Over dit essentiĆ«le punt zegt Zwart een ongelooflijke hoop dingen tegelijkertijd. Om maar een greep te doen. Binnen de ARP meende een belangrijke stroming Gods wil op een eigentijdse, moderne manier te kun nen kennen. Dat waren de zogenaamde evangelisch-radicalen die een progressieve politiek voorstonden, denk aan mensen als Aantjes, Berghuis en De Boer. Anderen daarentegen dachten hun kracht meer te moeten zoeken in de christelijke traditie als zodanig, een beetje weg van de pretentie Gods wil te kennen. Die anderen treffen we vooral aan in de KVP en de CHU, maar ook in de ARP. Interessant is nu dat Zwart denkt dat die strijd binnen het CDA nog steeds niet is uitgewoed. Tot een dragende ideologie is het volgens hem niet gekomen: “De centrale vraag is nog steeds dezelfde: wie wint het in het CDA, de stroming die een sociale middenpartij nastreeft, zeg maar de vleugel-Heerma, of de stroming die een rechts CDA wil, zeg maar de vleugel-De Hoop Scheffer.” Even afgezien van de complicatie of je de vroegere D66-sympathisant De Hoop Scheffer 'rechts' kunt noemen: is dit de echte centrale vraag wel van het CDA? Het komt me voor dat Zwart hier in de oude valkuil valt die Jelle Zijlstra al in 1963 heeft doorzien. Op een reünistencongres van SSR toonde hij overtuigend aan dat het met die pretentie van Kuyper wel meeviel, ook al pakte het in de praktijk wel eens anders uit. Hoe dan ook, hij Zijlstra, wenste daar niet aan mee te doen. Gods Woord bevat volgens hem geen richtlijn voor de hoogte van het financieringstekort, of voor de mate van overheidsbemoeienis. Christelijke politiek of politiek voor christenen, het was Zijlstra om het even. Daarentegen moet de inzet wel zijn het ideaal overeind te houden: dat een christelijke partij 'stenen op de weg moet verwijderen tussen God en de naaste'.
Het komt me voor dat De Hoop Scheffer en Heerma het over die inzet wel eens zijn. Wat dat betreft zit het met de grondslag van het CDA wel goed. Waar het aan ontbreekt is de verbinding met de oorspronkelijke idealen. Het CDA heeft te lang op de automatische piloot gevaren.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.