De stralingseffecten van tot stof verbrand verarmd uranium zijn te vergelijken met het roken van één sigaret. Dit 'verwaarloosbare' gezondheidsrisico hebben werknemers in hangar 8 opgelopen die 500 uur in de loods op Schiphol-Oost hebben rondgelopen.
Dat verklaarde stralingsdeskundige A. Keverling Buisman van het Energieonderzoekscentrum Nederland (ECN) in Petten gisteren tegenover de parlementaire enquêtecommissie Bijlmerramp. Buisman maakte in 1993 een notitie voor de stadsdeelraad Amsterdam-Zuidoost, waarin hij de effecten van verarmd uranium beschreef. Volgens Buisman was hij in die tijd ,,geen expliciete uranium-deskundige'' en moest hij binnen een dag wat algemene notities opschrijven over uranium. Hij stelde dat het 'zeer onwaarschijnijk' was dat verarmd uranium zou zijn verbrand. Tegenover de commissie moest hij gisteren deze stelling terugnemen. Er is wel degelijk uranium verbrand.
Zijn notitie van anderhalf A 4-tje werd de afgelopen jaren steeds geciteerd en getypeerd als hét ECN-onderzoek, waaruit zou blijken dat er geen effecten voor de volksgezondheid zouden zijn. Buisman ,,betreurde dat''. Maar, gaf hij toe, hij had zelf nooit gewaarschuwd dat het geen echt onderzoek was geweest.
Toch zijn er volgens de ECN-man nauwelijks gezondheidseffecten te verwachten bij brandweerlieden, hulpverleners, KLM'ers en anderen die op de rampplek én in de hangar op Schiphol-Oost hebben gewerkt. Tenminste voor zover het gaat over de radio-actieve straling. Buisman: ,,Maar uranium is ook een zwaar metaal en in die zin wel giftig. Als er stofdeeltjes in de longen komen, kun je daarvan op den duur wel verschijnselen verwachten.''
Buisman vond het overigens 'schandalig' dat in de hangar gewoon met een bezem is geveegd, waardoor zes jaar na dato nog steeds stofdeeltjes van het uranium in de hangar aanwezig zijn: ,,Dat is bijna les 1 bij radio-actieve stoffen: altijd nat vegen en andere voorzorgsmaatregelen nemen. Om te voorkomen dat de stofdeeltjes zich verder verspreiden.''
Maar zelfs die extra maatregelen zijn volgens hoofdinspecteur milieuhygiëne P. Verkerk van het ministerie van Vrom eigenlijk niet nodig. ,,Als het risico verwaarloosbaar klein is, zelfs bij inademen, dan hoef je ook geen extra maatregelen te treffen'', aldus Verkerk. Alhoewel hijzelf volgens eigen zeggen pas in 1993 te horen kreeg dat er verarmd uranium in het neergestorte toestel had gezeten, wisten zijn ambtenaren het al op 8 oktober 1992 via de KLM. Ze vonden het niet nodig om toenmalig minister Alders van Vrom op de hoogte te stellen. Verkerk: ,,Je moet de minister niet met alles lastig vallen.''
De hoofdinspecteur stelde dat zijn afdeling er voldoende aan had gedaan om de vermiste hoeveelheid verarmd uranium - eerst 273 kilo en later 150 kilo - terug te vinden. ,,We hebben El Al, de KLM en de RLD steeds gevraagd de vermiste hoeveelheid te traceren. Maar de kans dat je het terugvindt is nihil'', aldus Verkerk.
Commissielid Oudkerk verbaasde zich erover dat de milieu-inspectie nooit zelf op zoek is gegaan naar de resten verarmd uranium. Zelfs toen er vanuit de samenleving én de Tweede Kamer steeds weer vragen over werden gesteld. Verkerk vond achteraf bezien deze handelswijze fout. Hij gaf voorzichtig toe dat ,,de drempel om actie te ondernemen, de minister in te lichten en andere instanties erbij te betrekken, omlaag moet. We hebben inmiddels al actie ondernomen''.
Evenals het ECN-onderzoek werd ook het GG & GD-onderzoek naar de gezondheidseffecten van de Bijlmerbewoners gisteren door de commissie op de korrel genomen. De toenmalige directeur H. Rengelink van de GG & GD hield staande dat het onderzoek deugdelijk was. ,,De vijftig huisartsen die we raadpleegden, concludeerden dat er gezien de feiten niet aangenomen kon worden dat er een relatie met de ramp bestond'', aldus Rengelink.
H. Plokker, plaatsvervangend hoofdinspecteur voor de volksgezondheid, stelde even later dat huisartsen in 1994 (het jaar van het GG & GD-onderzoek) domweg niet in staat waren om de giftige effecten van de ramp in te schatten. Plokker vindt het bovendien onjuist dat na kamervragen over klachten in de Bijlmer uit 1995, '96 en '97 door ministers telkens weer werd verwezen naar dat GG & GD-onderzoek uit 1994.
Aanvankelijk was er geen aanleiding om te denken dat klachten in relatie stonden tot de ramp, zei Plokker. ,,Maar in 1996 bereikten we een omslagpunt, toen werd duidelijk dat er echt een patiëntengroep bestond.''
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.