Kijk je op de kaart van Drenthe van ruim een eeuw geleden, dan zie je een uitgestrekt leeg gebied tussen Mantinge en Hoogeveen, met alleen wat cultuurland langs het Oude Diep, madelanden in het beekdal. Hier broedden tot 1937 de laatste goudplevieren van ons land. Ze namen de wijk naar eenzamer streken, toen hun broedgebied te veel versnipperd raakte.
Na de uitvinding van de kunstmest is de 'woeste grond' in rechthoekige kavels ontgonnen. Tot in de jaren vijftig heeft dat voortgeduurd. De Vereniging Natuurmonumenten redde vier stukjes natuur, die nu als eilandjes verspreid midden in dit natuuronvriendelijke boerenland liggen. De planten en dieren van die reservaten hebben geen contact met elkaar.
Natuurmonumenten zet nu de klok terug. Het Plan Goudplevier moet de reservaten uit hun isolement verlossen. Het Mantingerveld zal een aaneengesloten natuurgebied worden van 1100 hectaren, waarvoor de vereniging vier jaar geleden is begonnen de tussenliggende akkers aan te kopen en uit productie te nemen.
Het Mantingerveld is een van de gebieden in ons land die te kampen hebben met ernstige verdroging. Om het water in het gebied te houden worden de twee meter diepe ontginningssloten dichtgegooid en om de verschraling van de bodem, nodig voor de groei van heide en andere schaarse wilde planten, te versnellen wordt de zwaar bemeste bovenlaag van dertig centimeter afgevoerd. Als het aan Natuurmonumenten ligt, zullen er weer stuifzanden komen en heide met natuurlijke bossen, vennen en plassen. En nieuwe jeneverbesstruwelen, hoopt men.
STRUWELEN In het Mantingerzand groeien de fraaiste jeneverbesstruwelen van ons land. De op tuinconiferen lijkende struiken bepalen het aanzien van het landschap. Op veel plaatsen staan de stekelige struiken mannetje aan mannetje. Sommige zijn rijzig en smal met spitse toppen zoals Italiaanse cipressen, andere waaieren breed uit of blijven laag, kruipen bijna. Er zijn nauwelijks naaldbomen die veelvormiger van gestalte zijn. En hoewel niet groot, kunnen ze vreselijk oud worden. Jeneverbessen van vijf-, zeshonderd jaar zijn geen uitzondering. Dat is voor de jeneverbes tegenwoordig van belang om te overleven. Veel exemplaren dragen een overvloed aan groene of blauw berijpte bessen, maar waar je ook kijkt, nergens vind je zaailingen. Volgens sommige botanici bevatten de bessen - eigenlijk kegels die niet houtig zijn zoals die van spar en den, maar vlezig als een bes - geen kiemkrachtig zaad meer. Anderen zeggen dat voor de kieming van het zaad open zand nodig is en dat is er weinig meer.
Haar beste tijd had de jeneverbes aan het einde van de laatste ijstijd. Later werd zij grotendeels verdrongen door dennen en loofbomen, maar door de veeteelt kreeg ze in de middeleeuwen nieuwe kansen. Jeneverbessen groeiden op open plekken die door beweiding in heidevelden waren ontstaan. De beweiding zorgde er ook voor dat de jeneverbessen geen concurrentie ondervonden van sneller groeiend loofhout. Dat werd afgebeten door het vee. Sinds de heide niet meer wordt begraasd, plant de jeneverbes zich niet meer voort. Erger nog, door branden, ziekten en overgroeiing door andere bomen neemt het aantal jeneverbessen af. Struiken werden vaak uitgestoken om verder te leven als tuinheester. Daarom is de soort nu wettelijk beschermd. STOBBEN VOL ZWAMMEN In het Mantingerzand worden eiken en berken in de buurt van de struwelen verwijderd. De stobben zitten nog in de grond en zijn overdekt met donkergele zwavelkopjes en schimmelgroen bekermos.
Er groeien wat vliegdennen met schilderachtig verwrongen stammen. En op plekken waar ze de jeneverbessen niet bedreigen, staan zomereiken met brede kronen en zilverstammige ruwe berken. Jonge eikjes, waarschijnlijk geplant door gaaien, die eikels als wintervoorraad verstopten en vervolgens vergaten. zien er ziek uit, overtrokken met de witte schimmel van meeldauw. Een stuk heide is afgezet met schrikdraad. Daar grazen Schotse langhoornrunderen, die de vergrassing door pijpenstrootje en smele een halt moeten toeroepen. En die wellicht ook zorgen voor nieuwe gunstige kiemomstandigheden voor de jeneverbes.
Onder de jeneverbessen groeit niet veel. Door het dichte stekelgewas bereikt de regen nauwelijks de bodem. Waar dat wel het geval is, groeien wilgenroosjes met wit zaadpluis, rankende helmbloem met heel kleine bloemtrosjes, stekelvarens met fijn verdeelde veren en eikvarens met bladeren als diep ingesneden eikeloof. Op de snel verterende naalden gedijen oranje trechterzwammen, die vaak in heksenkringen groeien. Twee grote stinkzwammen zijn door de vliegen kaal gelikt, maar nog op tientallen meters te ruiken.
Kruipwilg met kleinere blaadjes dan in de duinen zorgt voor grijze plekken tussen het donkere groen van de struikhei, die op grotere open plekken nog wat nabloeit. Op een enkel vochtig plekje vinden we de roze tonnetjes van dophei en de gele kruisjes van tormentil. Rode bosbes bedekt een oude stuifheuvel met donkergroen, in de zon glimmend blad, waartussen rode bessen en rozewitte bloemen. Een enkele kleine leeuwentand steekt nog een diepgeel paardebloempje omhoog. De prachtig groene korstmossen trekken veel meer de aandacht. Tussen de minuscule kommetjes van het groene bekermos gloeit af en toe een felrood apothecium van de heidelucifer (Cladonia floerkeana). Elders is de grond bedekt met lichtgrijs rendiermos.
ROOFVOGELS Een geelgors roept zeurderig in het topje van een oude den. Het getwitter van boerenzwaluwen attendeert ons op een roofvogel, die met trage vleugelslag rondjes draait hoog boven ons. De lange staart onderscheidt hem direct van de buizerd, die veel verder weg omhoog schroevend nog net te zien is tegen een witte wolk. Een havik, een mannetje, duidelijk groter dan een vrouwtjessperwer, waar hij nog het meest op lijkt. Je ziet ook beter dan bij een sperwer de gevingerde vleugeltoppen.
De zwaluwen zwermen om de havik heen; hun getwitter lijkt op schelden. Maar de grote lijsters, die nu en dan bij twee of drie overvliegen en daarbij een snorrend geluid laten horen, lijken zich niets van de roofvogel aan te trekken, evenmin als de kleine bosvogels, die je voortdurend hoort in de dennen en de eiken: staartmezen, een glanskop, af en toe een boomkruiper, goudhaantjes. De enige die echt wat van de havik te duchten hebben, zijn de gaaien, die bij tijd en wijle krijsen in het dichtste houtgewas.
Er is veel trek van kleine zangvogels. Voortdurend komen knutterend kneutjes over, is er het 'iest--iest...' van graspiepers, het 'djuup... djuup...' van vinken en het korte 'terruk...' van veldleeuweriken. Een verrassing is het vaak herhaalde, welluidende 'hadlie' van de boomleeuwerik, die op dit soort heide thuishoort. In korte tijd kun je nu al die trekgeluidjes leren kennen, die even kenmerkend zijn als de zang in het voorjaar.
Natuur deze week
In bermen en op braakliggend terrein bloeit nog van alles. Er vliegen nog veel honingbijen op kool- en raapzaad. Kleine vossen en dagpauwogen bezoeken de laatste bloeiende akkerdistels. Ik zag ook nog atalanta's op een late buddleja en op herfstasters. - Er sjirpen nog steeds grote groene sabelsprinkhanen in bomen en struiken. De vrouwtjes hebben met hun lange sabelvormige legboor langwerpige grijze eitjes gelegd in de grond, waar ze veilig overwinteren, terwijl de sprinkhanen sterven voordat de winter invalt. - De spreeuwen betrekken hun roestplaatsen in de steden. Daar kunnen duizenden vogels tegelijk komen overnachten. - De tjiftjaf is een insecteneter, die zijn voedsel zoekt in de bomen, waar nog genoeg rupsjes, bladluizen en spinnetjes te vinden zijn. Tot in november kun je nog doortrekkende tjiftjaffen tegenkomen. Ze zingen dan niet meer, wat ze nu nog regelmatig doen. - Velduilen zwerven na de broedtijd rond en komen dan met trekkers uit noordoostelijk van ons land gelegen streken ook in gebieden, waar ze niet broeden. Omdat de velduil ook overdag jaagt, wordt hij vaker dan andere uilen gezien. - Het is nu toptijd voor paddestoelen. Bij duizenden groeien zwavelkopjes op vermolmde tuinbiels. Andere algemene houtzwammen zijn helmzwammetje, zwerminktzwammetje, glimmerinktzwam, hertenzwam en gaatjeszwammen zoals witte bultzwam, elfenbankje en platte tonderzwam. Op stronken die van gevelde bomen in de grond zijn blijven zitten, staan grote groepen zwart met witte geweizwammetjes. - Veel mensen beginnen nu met snoeisnaar en hark de tuin winterklaar te maken. Dat is misschien wel netjes om te zien, maar voor de dieren in de tuin het slechtste dat je kunt doen. Met het verwijderen van dorre stengels vernietig je tevens eieren, larven, poppen en volwassen dieren van veel insecten, die daarin overwinteren. Onder afgevallen boomblad leven pissebedden, slakken, wormen, duizend- en miljoenpoten en proberen jonge salamanders te overwinteren. De insecten en wormen dienen in de winter als voedsel van allerlei vogels. Laat de tuin daarom zoals die is. Bovendien: weet u wel hoe mooi een niet opgeruimde tuin is als het op een morgen ruig gevroren heeft?
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.