Van onze parlementsredactie SARAJEVO - De sporen van zo'n zevenduizend vermiste Bosnische moslims uit Srebrenica blijven nog altijd uitgewist.
Minister Voorhoeve van defensie kreeg gisteren in Bosnië te horen dat er geen glimp hoop is op tracering van de massagraven met de vermiste mannen uit de voormalige 'veilige enclave'.
Voorhoeve sprak in Sarajevo met vertegenwoordigers van het Rode Kruis en de internationale organisatie voor de opsporing van vermiste oorlogsslachtoffers ICMP. De boodschap die hij kreeg was somber. Het opsporen van massagraven en de identificatie van slachtoffers wordt steeds moeilijker door tegenwerking van de voormalige strijdende partijen. De Nederlandse minister zei na afloop: “De veelgehoorde analyses dat de opsporing traag loopt door gebrek aan geld kloppen niet. Het kritische punt is tegenwerking van de vroegere oorlogsvoerende groepen.”
Het Rode Kruis en de ICMP hebben in heel Bosnie 19 549 vermiste personen geregistreerd. Niet meer dan 1200 doden zijn geïdentificeerd.
De zevenduizend vermisten uit Srebrenica werden in 1995 weggevoerd door Bosnische Serviërs die de moslim-enclave binnenvielen die door Nederlandse VN-soldaten moest worden beschermd.
Dwars door deze kwestie heen probeert Den Haag al geruime tijd duidelijkheid te krijgen over een groep van 242 gevluchte moslims die destijd door de Bosnische Serviërs vanachter de hekken van de Dutchbat-basis werd weggeplukt.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.