Dat de natuur ten diepste alleen vijandig is, is een idee van grote-stads-intellectuelen die het leven in eigen regie willen nemen. Reactie op het artikel van Theo de Boer in Letter & Geest van 4 januari. De auteur is hoogleraar wijsbegeerte aan de Erasmus Universiteit Rotterdam.
Het artikel wil met andere woorden een bijdrage leveren aan het milieudebat, gaat er ook van uit dat er een milieuprobleem is: “Wat in miljoenen jaren van evolutie is opgebouwd dreigt vernietigd te worden; het cultuurlandschap gaat ten onder in vlakten van asfalt en hoogten van basalt”. Maar naar mijn mening is het onduidelijk wat De Boers gedachtengang aan een 'verbetering' van de situatie op milieugebied bijdraagt. Sterker: de gedachtengang bevestigt eerder de kwaal dan dat zij wegen naar een remedie wijst.
Laat er, om te beginnen, geen misverstand over bestaan dat ik De Boers pleidooi voor het goed recht van de alledaagse en dichterlijke ervaring graag onderschrijf. Het wetenschappelijk wereldbeeld, waaruit alle zogeheten secundaire kwaliteiten (kleur, klank, geur) geëlimineerd zijn, is inderdaad een constructie die ten onrechte vaak voor de werkelijkheid uitgegeven is. En evenzomin is de ervaringswerkelijkheid schijn en die van de kunst schone schijn.
Dat is een belangrijk inzicht, maar toch pas een eerste stap. Want daarmee ligt wel de vraag naar de relatie van die natuurbeelden op tafel. Daarover geeft het artikel zelfs geen hint. Zeggen dat je niet tegen wetenschap en techniek kunt kiezen omdat die natuurervaringen à la Nescio mogelijk gemaakt hebben - hij liep immers op een dijk - is toch nauwelijks een bewering. En dat Nescio op een dijk liep is ook voor het ter discussie staande thema irrelevant: het spel van het licht op het water en op het groen en de beleving daarvan als uiterst reëel had hij net zo goed aan een ongerept bergmeer of in de jungle kunnen waarnemen.
Wil, anders gezegd, de dynamiek van de op beheersing gerichte 'wetenschappelijke' natuurconceptie beteugeld worden (wil niet alles vol gezet worden met asfalt en basalt, waar De Boer ook kennelijk op tegen is), dan zal er een herintegratie van die conceptie in een ruimere natuuropvatting moeten komen. Dat betekent dus geen anti-beheersingshouding, maar wel een, waarin aan beheersing en beheer weer een plaats binnen een overkoepelend verband wordt aangewezen. Laat je wetenschappelijk en alledaags werkelijkheidsbeeld los van elkaar staan (of verbind je ze alleen door een dijk), dan laat je ze aan hun eigen dynamiek over - dat betekent in deze samenhang: dan laat je wetenschap en techniek hun gang gaan en wordt inderdaad alles volgezet met asfalt en basalt.
De intrigerende vraag daarbij is intussen wel, waaròm dat wetenschappelijk natuurbeeld zo'n vat op de geesten kon krijgen. Die vraag wordt door De Boer niet gesteld - je kunt in een artikel ook niet alles bespreken. Maar ik meen dat het niet toevallig is dat aan die vraag voorbijgegaan wordt. Zoals De Boer van het milieuprobleem ook zegt dat het een negatief neveneffect van een bepaalde omgang met de natuur betreft en dat er een grens overschreden is zonder naar de achtergronden daarvan te vragen.
Zou men dat namelijk wel doen, dan zou men moeten wijzen op een aantal grondtrekken van de moderne manier van leven, die zich in de zestiende en zeventiende eeuw doorzet en in onze eeuw van de techniek haar voorlopige culminatiepunt gevonden heeft. Binnen het denkkader dat deze levensstijl begeleidt en mede bepaalt begrijpt de mens zichzelf als een wezen dat buiten en tegenover de natuur is komen te staan, in tegenstelling tot de situatie daarvóór toen hij zich zag als deel uitmakend an het universum als een bezield verband. In de moderne tijd wordt de natuur dan ook het totaal andere en vreemde, dat bedwongen moet worden. En dat kan ook: de dingen zijn immers stom, doof en blind, puur materiaal om gebruikt te worden. Zij hebben van zich uit geen doel en waarde, en krijgen die ook alleen doordat mensen hun die toekennen. Mensen alleen hebben doelen en belangen, oneindig veel nog wel. De natuur kortom als inventaris van hulpbronnen om het menselijk leven zo comfortabel en interessant mogelijk te maken. Het is duidelijk dat van dit denkkader het 'wetenschappelijk wereldbeeld' een belangrijke component vormt.
Wie De Boers artikel leest kan nauwelijks tot een andere conclusie komen dan dat de natuur bij hem nog in sterke mate trekken draagt die voor de zojuist geschetste voorstellingswijze kenmerkend zijn. Zij wordt door hem getypeerd als gewelddadig, onherbergzama, gevaarlijk, en niet in de laatste plaats saai, “een saaie bedoening”. Hij geeft dan ook “in zekere zin” (waarom die relativering?) Bloem gelijk: “Natuur is voor tevredenen en legen”. Daarom zou hij, tegen Rilke, als hij erts was toch het afwisselingsrijke historische bestaan kiezen in muntvorm: “Het bestaan in de bergen is groots maar even eentonig als eenzaam”. Daarin spiegelt zich de moderne attitude dat het leven spannend moet zijn en dat je er zoveel mogelijk uit moet zien te halen (vandaar onze moderne amusementsindustrie, reiskoorts enzovoorts). En als dat met een steeds hoger opgeschroefd aspiratieniveau de grenzen van de belastbaarheid van de natuur overschrijdt? Dan rest in dit perspectief slechts een tragische keuze. Hier staan, zoals in de hoofdstroom van de moderne cultuur, mens en natuur tegenover elkaar. Het alternatief tegen alles volzetten met asfalt en basalt kan hier slechts zijn: wat afremmen, pappen en nathouden, maar met tegenzin want onder opoffering van interessante opties voor mensen.
De natuur, kortom, bliijft bij De Boer datgene waarmee wij geen positieve relatie kunnen onderhouden. Daarom kan zij het beste maar gedomesticeerde natuur zijn en als ongerepte, wilde natuur op afstand blijven, 'het buitenste buiten' aan de horizon van onze dagelijkse leefwereld.
Naar mijn stellige overtuiging zal de milieumalaise geen wending nemen als het ons niet lukt weer een positieve verstandhouding tot de natuur op te bouwen, ook waar het haar minder liefelijke trekken betreft. Want dat zij die heeft, daaraan hoeven geen woorden verloren te worden. En evenmin daaraan dat mensen zich altijd tegen haar destructieve kanten teweer gesteld hebben.
Maar zij hebben diezelfde schrikwekkende natuur ook steeds tegelijk als bron van levenskracht en welzijn ervaren. In het hindoeïsme bijvoorbeeld is Shiva tegenlijk de huiveringwekkende god die door zijn dans de ondergang van de wereld bewerkt en degene die oorsprong van nieuw leven is.
Dat de natuur ten diepste alleen vijandig is, is een idee van grote-stads-intellectuelen die het leven geheel in eigen regie willen nemen. Dat dat niet kan lukken wordt het scherpst zichtbaar aan de dood, een voor de Westerse cultuur dan ook onverteerbaar fenomeen omdat hij het catastrofale einde van het kleine ik en zijn aspiraties is. Hoe anders ziet dit feit er echter uit in het perspectief zoals ingenomen door Simone Weil: “Ook al sterf ik, het universum duurt voort. Dat is geen troost voor mij, als ik iets anders ben dan het universum. Maar wanneer het universum voor mij als het ware een ander lichaam is, dan houdt mijn dood op voor mij van grotere betekenis te zijn dan de dood van een ander.”
Iets meer van deze gelaten, ontspannen houding zou onze moderne gespannen relatie met de natuur goed doen.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.