AMSTERDAM - De Olympiade tussen Atlanta en Sydney is al weer bijna voor een kwart verstreken, als NOC-NSF in mei haar topsportbeleidsplan ter goedkeuring aan haar leden voorlegt. De afgelopen jaren is veel ten goede gekeerd voor de Nederlandse topsport, maar de ambtelijke molens draaien vooralsnog traag als vanouds.
Aan het bedwelmende succes van Atlanta, waar Nederland ondanks de sterk toegenomen internationale concurrentie beter scoorde dan ooit tevoren, valt dat niet toe te schrijven. Het is eerder een kwestie van nog niet verder kunnen kijken dan de horizon van één Olympische Spelen. Omdat NOC-NSF nog altijd in een overgangsfase verkeert van het vroegere reisbureau in het olympisch jaar tot de toekomstige beleidsmaker en coördinator van de totale topsport. Het blijkt nog niet volledig in staat tijdens de ene olympiade de financiële - en dus ook beleidsmatige - grondslag van de volgende te garanderen. Zoals blijkt uit de tekorten waarmee voor dit jaar rekening wordt gehouden. Maar zo erg als in 1988 is het al lang niet meer. Toen het destijds nog los van de Nederlandse Sport Federatie staande NOC reeds voor het afreizen naar Seoul failliet dreigde te gaan bij de afrekening van de vliegtickets.
De teruggetreden chef d'equipe Andre Bolhuis riep in Atlanta terstond na het binnenhalen van de oogst van veertien olympische medailles, dat in Sydney een verdubbeling mogelijk moet zijn. Een beleid dat daarop is gericht, zal gepaard gaan met pijnlijke beslissingen. Want zoveel is wel duidelijk geworden uit wat de makers al naar buiten hebben gebracht over hun beleidsplan: er zal efficiënter met het beschikbare geld - èn kennis - dienen te worden omgesprongen. Waarbij Marcel Sturkenboom van de sectie Topsport het onlangs niet kon nalaten te verwijzen naar het 'speerpuntenbeleid' van België. “Er is weinig geld beschikbaar voor velen. We moeten ons beter afvragen waarin we willen investeren.”
Omdat NOC-NSF inzicht wilden krijgen in de succesbepalende factoren voor topsport, kreeg socioloog Martijn Eising van NOC-NSF opdracht daar onderzoek naar te doen. En zijn bevindigingen te betrekken op de situatie in Nederland. In zijn doctoraalscriptie 'Internationale succesverschillen in de topsport' vergelijkt hij de topsportsystemen van zes kleine landen. Nederland dient als uitgangspunt, de voormalige DDR, Cuba, Hongarije, Noorwegen en België dragen vergelijkingsmateriaal aan. De onderlinge maatschappelijke en sociale verschillen tussen de landen contrasteren in een aantal gevallen fel, desondanks blijkt binnengeld dè variabele die volgens Eising sportief succes verklaart. “Rijkdom is een voorwaarde om het talentpotentieel van een land te kunnen ontwikkelen.” Dat lijkt in tegenspraak met de situatie in de DDR, Hongarije en Cuba, waar geld een schaars goed is. Maar in die landen is topsport een middel voor het verkrijgen van politiek prestige, waarvoor geld is vrijgemaakt voor een effectieve organisatie.
Wat de DDR, Hongarije en Cuba hebben bewezen, is dat een kleine populatie geen beperking behoeft te zijn om tijdens Olympische Spelen hoog te scoren. Maar Nederland schiet ten opzichte van deze sterke sportnaties met name tekort op gebied van talentenherkenning en scholing. “Sport op school is in Nederland slechts een klein onderdeel van het scholingsprogramma. Hiermee worden kansen gemist. De basis van het succes van landen als Oost-Duitsland, Cuba en Hongarije worden voor een belangrijk deel gelegd op scholen. (...) In een tijd waarin het Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen continu zoekt naar mogelijkheden voor bezuinigingen, lijken de levenskansen voor scholen waarbij topsport in het lesprogramma wordt opgenomen, zeer gering. Toch is topsport op school een succesvol gebleken manier om de nationale topsport op een hoger niveau te krijgen.”
Eising concludeert dat op het gebied van jeugdsport, talentherkenning en talentontwikkeling voor Nederland nog veel mogelijkheden liggen. Daarbij doet hij de aanbeveling om de sportmogelijkheden op scholen te vergroten en sportleraren in te schakelen bij de scouting en doorverwijzing van talenten. Hij verwijst naar het Noorse model, waar het het vergaren en overdragen van kennis betreft. NOC-NSF willen ook naar een situatie toe waarin alle beschikbare kennis wordt vastgelegd en beschikbaar komt voor anderen. Waar die nu verdwijnt met het vertrekken van een bondscoach.
Een andere aanbeveling van Eising is, hoe voor de hand liggend, verruiming van de financiële middelen. Of, als dat niet mogelijk blijkt, een speerpuntenbeleid ontwikkelen. Zoals de afgelopen jaren met veel succes in België is gebeurd. Daar werd de groep van 2200 sporters die voorheen aanspraak kon maken op een aandeel uit het topsportbudget teruggebracht tot 330. Eising realiseert zich dat een dergelijke ingreep gepaard gaat met veel emoties. Want wat moet er gebeuren met de sporten die in Atlanta niet 'scoorden': atletiek, honk- en softbal, waterpolo, kanovaren, badminton, tafeltennis, handboogschieten, tennis, schieten en beachvolleybal. “De keuze om te korten op topsportbudgetten in bepaalde takken van sport waarin Nederlanders niet goed presteren, zullen veel emoties losmaken bij de betreffende sportbonden en topsporters. Wanneer Nederland haar positie als topsportland wil versterken dan zijn dit soort beslissingen echter onvermijdelijk.” Bolhuis kondigde het twee jaar geleden al aan: loon naar werken. Een aantal bonden en sporters heeft dat inmiddels in de portemonnee kunnen ervaren.
Botte bijl
Het wil niet zeggen dat met de botte bijl sporten mogen sneuvelen. Er moeten objectieve criteria komen op basis waarvan een herverdeling van middelen plaatsvindt. En bonden moeten weten waaraan ze moeten voldoen om in de toekomst meer te kunnen claimen. Bovendien moet rekening worden gehouden met het gegeven dat de ene sport de andere niet is: “Waar in de ene sport het relatief makkelijk is om een medaille te winnen, is het in de andere sport een zeer goede prestatie wanneer een finale wordt bereikt. In het laatste geval gaat het meestal om ver geëvolueerde sporten waar de concurrentie groot is en de verschillen klein. Dit zijn vaak sporten met grote uitstraling, bijvoorbeeld atletiek.”
Vooralsnog streeft het nieuwe topsportbureau van NOC-NSF naar het aanboren van externe bronnen, bijvoorbeeld door het betrekken van sponsors met de exclusieve status 'Partner in Sport' bij projecten. En wordt de nieuw aangetrokken externe adviseur Joop Alberda niet alleen ingeschakeld op het gebied van sport, zoals zijn voorganger Hans Jorritsma, maar ook voor organisatie en marketing.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.