*

 
dossier

Archief

BIOGRAFIE

ESTHER HAGEMAN − 04/12/96, 00:00

Jan Ligthart (1859-1916), een schoolmeester-pedagoog uit de Schilderswijk, Barbara C. de Jong, academisch proefschrift, Utrecht.

In februari 1916 maakte Jan Ligthart, net 57 geworden, een wandeling langs het kanaal van Laag-Soeren. Het is die hele winter al noodweer in Nederland; zo ook die middag. Ligthart raakt te water. Een schipper die voorbij komt schiet te hulp, maar is te laat: de vermagerde man die hij uit het water redt is al dood.

Onderwijzers haalden wel vaker hun pensioen niet, maar Ligthart was vanaf zijn veertigste eigenlijk al in de lappenmand. Vanaf zijn vijfenveertigste begon hij uit te zien naar zijn pensioen. Ligthart schreef zijn tijdschrift School en Leven vol terwijl hij 's middags na schooltijd in bed lag, extreem vermoeid, geplaagd door hoofdpijn, hartkloppingen en benauwdheid.

Jan Ligthart is dé Nederlandse schoolmeester-pedagoog. Hij was - samen met H. Scheepstra - de geestelijke vader van schoolboekjes; voor lezen, maar ook voor 'zaakonderwijs' als aardrijkskunde of natuurkennis.

Het bekendst werden de leesboekjes, die zeventig jaar lang op de openbare scholen zijn gebruikt: Ot en Sien (waarvan anderhalf miljoen exemplaren werden verkocht tot 1969) en Pim en Mien (idem).

Hij was ook het hoofd van wat we nu een 'achterstandsschool' zouden noemen: de school aan de Tullinghstraat in de Schilderswijk in Den Haag. Daarnaast schiep hij zijn eigen pedagogische tijdschrift en schreef het eigenhandig vol.

Rondom de school

Achter de schoolboekjes ging een opvatting over onderwijs schuil: dat moest meer aansluiten op de wereld rondom de school.

Ligthart was het oneens met de klacht uit die tijd, dat kennis die de schoolmeester bijbracht bij de leerlingen eigenlijk zo slecht beklijfde. Een kind was geen pakhuis dat je vol kon stapelen met balen kennis, vond Ligthart. En wanneer een Amsterdams kind 'ik sit' opschreef, of 'wij blijfe boufe', of wanneer een Haags kind schreef 'ik loopt', dan schreven die kinderen op wat ze hóórden. Dat was bij Ligthart niet 'dom', maar 'veelbelovend'.

Van Ligthart mochten de eisen voor kinderen uit een arbeidersmilieu wel omlaag. Ze moesten leren wat relevant was voor het latere leven. Zinsontleding was dat niet. Een brief leren schrijven was dat wel. Als een onderwijzer een opstel nakeek - en bij Ligthart was dat, als eerste, een vrij opstel - moest hij ook niet zo letten op de spelfouten, maar op de manier waarop het kind z'n verhaal vertelt. Als beloning voor hun moed verdienden alle kinderen een acht.

De Jong maakte voor haar onderzoek gebruik van tot dusver onbekend bronnenmateriaal. De notulen van de teamvergaderingen van zijn school, bij voorbeeld: vijf handgeschreven bundels notities, over de plannen die Ligthart had, de projecten die hij wilde invoeren.

Twee ergernissen

De Jong: “Als Ligthart nu op een basisschool zou binnenkomen, dan zou hij zich vermoedelijk aan twee dingen ergeren. Aan de kant en klare methodes en lesbrieven die naar de school worden opgestuurd, die een leerkracht kan gebruiken zonder er verder bij na te denken. Ligthart was er sterk voor dat je als leerkracht je eigen onderwijs maakte. Hij vond dat een onderwijzer 'iemand was', een gevormd mens moest zijn. Maar anders dan Maria Montessori heeft Ligthart nooit gedetailleerde voorschriften opgeschreven. Dat is bij hem heel cruciaal: je moet vanuit vrijheid tot iets komen.”

“Hij zou zich ook ergeren aan het individualisme in een basisschool. Hij wilde dat onderwijzers een team vormden. Ligthart vergde van zijn team een veel grotere inzet dan er tegenwoordig wordt gevergd, denk ik.”

mailIcon print |