*

 
dossier

Archief

MORAAL PREKEN PAST NIET BIJ DEZE TIJD

ARLETTE DWARKASING − 07/10/95, 00:00

Politici kunnen dan wel roepen dat opvoeders hun kinderen meer normen en waarden moeten bijbrengen, zo slecht doen die opvoeders het helemaal niet. Dr. Elly Singer speelt de bal terug naar de politiek: in tachtig tot negentig procent van de gezinnen is niets loos. Laat de politiek zich maar zorgen maken om de gezinnen die al vroeg hulp nodig hadden, maar nooit adequate steun vonden. En de kinderen die daarom uit huis geplaatst zijn.

Soms gaat het fout. Al in die eerste vier jaar. Of veel later. En gaat de ouder op zoek naar hulp. “Als je dan aan ouders vraagt wat zij belangrijk vinden in de opvoeding, dan noemen zij normen en waarden die wij allemaal belangrijk vinden: niet steeds maar vechten, rommel opruimen, rekening houden met elkaar. Je kunt dus niet concluderen dat deze ouders geen normen of waarden hebben. Ze hebben ze misschien niet expliciet gemaakt. Ze hebben misschien vreselijk veel moeite die normen en waarden over te brengen. Of ze hebben gewoon niet de kans gekregen hun kinderen goed op te voeden omdat ze slecht behuisd zijn, weinig geld hebben om hun kinderen mee te laten doen in het sociale leven en geen beroep kunnen doen op een sociaal netwerk.”

Singer ergert zich aan de oproepen van politici aan ouders om kinderen 'deugden' bij te brengen. CDA-fractieleider Heerma sprak vorige week in Trouw over het bijbrengen van 'grenzen aan de gedragsvrijheid van kinderen'. VVD-leider Bolkestein riep op een partijbijeenkomst ouders op om hun kinderen 'de waarheid te leren spreken' en ze te leren 'respect te hebben voor elkaar'.

“Spreken kinderen dan niet de waarheid? Als ze te eerlijk zijn, vinden we ze onbeleefd. Hebben kinderen dan geen respect voor anderen?”, zegt Singer verontwaardigd. “Dat politici zich zorgen maken over de toekomstige generatie is juist. Wij moeten ons altijd zorgen maken over onze kinderen. Dat is onze taak als volwassenen. We moeten altijd blijven nadenken over de opvoeding van onze kinderen. Maar zorgen maken omdat het gedrag van kinderen nu slechter zou zijn dan pakweg tien jaar geleden? Ik weet niet of dat zo is. Ik zou dat niet durven beweren.”

Natuurlijk kent ook zij de stijgende cijfers in de jeugdcriminaliteit en is zij op de hoogte van onderzoek waaruit blijkt dat jongeren steeds eerder ernstige delicten begaan. Ze weet ook alles van de wachtlijsten in de jeugdhulpverlening en het druggebruik onder jongeren. Maar daaruit mag je niet afleiden dat ouders hun kinderen geen waarden en normen overbengen. En dat doen politici, vindt Singer. Met hun oproepen om de moraal in het gezinsleven terug te brengen, zeggen zij in feite dat ouders hun kinderen niet goed opvoeden.

“De overheid heeft een aantal problemen met de jeugd. Er is drugsoverlast, jeugdwerkloosheid, vandalisme, er zijn zwerfjongeren. Dat zijn maatschappelijke problemen waar politici nu ouders voor verantwoordelijk houden. Maar het is fout om die verantwoordelijkheid alleen bij het gezin te leggen. Vanaf een jaar of zes, soms nog eerder, speelt de morele opvoeding zich voor een groot deel af buiten dat gezin. Met vrienden en vriendinnen. Bolkestein en Heerma hebben vorig weekeinde allebei geroepen om herstel van traditionele familieverbanden. Het is sowieso een tijd waarin we de morele boodschap over ons uitgestrooid krijgen dat te veel individualisme niet goed is. Maar tegelijkertijd zien we een afbraak van collectieve voorzieningen die voor kinderen en jongeren erg belangrijk zijn. Maatschappelijke voorzieningen, die bijdragen aan een 'goed burgerschap'. Volgens Heerma zouden kinderen hun burgerschap het best kunnen ontwikkelen in familieverband. Hij gaan dan voorbij aan het belang van die maatschappelijke voorzieningen voor opgroeiende kinderen.”

Singer noemt het vrijwilligerswerk dat een grote rol speelt in de vrijetijdsbesteding van kinderen. In sportclubs, speeltuinverenigingen, buurtwerk. “Maar wat doet de overheid om dat vrijwilligerswerk te ondersteunen?” Ze noemt de kinderopvang waar steeds minder geld voor beschikbaar is en waarbij ouders afhankelijk zijn van de welwillendheid van werkgevers. “De overheid had ook kunnen kiezen voor kinderopvang als pedagogisch instrument. Dan zou ook meer energie in de kwaliteit van de opvang worden gestopt.” En ze noemt de financiële situatie waarin veel werkloze ouders zich bevinden. “Armoede snijdt diep in het leven van kinderen. Want om erbij te horen, om mee te voetballen op zaterdag, is geld nodig.”

Singer, verbonden aan de vakgroep algemene opvoedkunde van de universiteit van Amsterdam en de vakgroep ontwikkelingspsychologie aan de universiteit van Utrecht, geeft onmiddelijk toe dat veel ouders blijk geven van onzekerheid als het gaat om de opvoeding van hun kinderen. Uit onderzoek van het SCO Kohnstamm instituut blijkt dat zo'n 40 procent van de ouders van kinderen tot zes jaar behoefte heeft aan enige vorm van opvoedingsondersteuning. Dat varieert van praktische opvoedingsvragen (“En wie heeft die niet?”) tot daadwerkelijke steun van deskundigen. Sinds 1994 wordt geëxperimenteerd met speciale opvoeding ondersteunende programma's.

“Er zijn vergeleken met vroeger een hoop vraagstukken bijgekomen in de opvoeding. Hoe leer je bijvoorbeeld kinderen die gewend zijn alles te krijgen, verantwoord met het milieu om gaan? Of: hoe ga je om met trends op school waar je eigen kinderen in mee willen gaan, zoals het dragen van dure merkkleding? Onzekerheid heeft vaak ook te maken met onze eigen veranderende moraal. Daardoor blijven we ons afvragen of we het goed doen. Als je nu die film ziet over de anti-autoritaire crèche in de jaren zestig, zeg je toch: hoe is het mogelijk dat ouders dat toelieten? Maar die ouders waren er toen van overtuigd dat wat zij deden, goed was voor hun kind. Een opvoeding vanuit een moreel kader dat we nu afwijzen.”

Maar wie bepaalt dan wat nú het juiste morele kader is? Politici met hun oproepen kinderen waarden en normen bij te brengen? Singer wijst erop dat moraal niet iets is dat kinderen uitsluitend leren van hun opvoeders of het sociale milieu. Kinderen hebben een eigen moraal. In het onlangs door haar samengestelde boek 'Beste ouders. . .' waarin pedagogen schrijven over het opvoeden van schoolkinderen in deze tijd, schrijft Singer zelf:

'Dat is niet eerlijk' en 'Waarom mag zij dat wel en ik niet?' zijn morele uitspraken die kinderen in de mond bestorven liggen. Ze geven uit zichzelf morele oordelen en vaak overvloedig. Eerlijkheid en rechtvaardigheid zijn zaken die kinderen hoog opnemen. Ook morele gevoelens als medelijden, empathie en verontwaardiging zijn duidelijk waarneembaar bij kinderen, vaak al bij peuters van anderhalf jaar oud. Dat wil niet zeggen dat kinderen van nature morele engelen zijn. Als het hun uitkomt, vergeten ze soms de morele claims die ze op andere momenten hooghouden. Ze kennen ook gevoelens die aanzetten tot minder gewaardeerd moreel gedrag, zoals jaloezie, egoïsme of agressie. En hun opvattingen over straf zijn vaak strenge en harder dan die van volwassenen.

Singer: “Ouders hebben dus wel degelijk een belangrijke taak in de morele opvoeding. En die begint met het erkennen dat kinderen een eigen moraal hebben. Als ouders bij waarden en normen alleen maar denken aan Grote Kwesties in het leven en niet zien wat hun kinderen bezighoudt, missen ze de aansluiting met hun kinderen.”

Zo kunnen kinderen wakker liggen van de vraag wie ze wel en niet uitnodigen op hun verjaarspartijtje. De buurjongen hoort erbij, maar niemand vind 'm eigenlijk aardig. Met twee snoepjes in de hand is het wel heel verleidelijk om ze beide stiekem op te eten in plaats van één aan een vriendinnetje te geven. En vertel ik het wel of niet dat ik de lievelingsauto van mijn broer heb stukgemaakt?

Singer schetst het voorval van twee kinderen die op de crèche om een bal vechten. Die bal hoort toevallig thuis in een ander lokaal. 'Ophouden jullie, die bal hoort hier niet, breng hem naar hiernaast', zegt de leidster. De beide kinderen staan nog steeds aan de bal te trekken en de een zegt tegen de ander: 'Ik mag 'm óók niet houden, hoor'.

“Hier lost de leidster een praktisch probleem op en het kind een moreel probleem. Ik zeg niet dat opvoeders zich met alle vraagstukken moeten bemoeien. Maar als je geen oog hebt voor deze kinderwereld, mis je de morele kwesties waar kinderen uit zichzelf veel over denken en kom je met morele 'lessen' waar ze geen boodschap aan hebben.”

Moreel opvoeden betekent volgens Singer een kind verantwoordelijkheid geven en medezeggenschap. Daarvoor is het belangrijk te luisteren naar wat kinderen zelf te zeggen hebben. Ook op politiek niveau.

“Ik zit in de commissie die de opbrengst van de kinderpostzegels verdeelt. Laatst waren we in een Brabants dorp en bekeken we de plannen van diverse clubs. Er was ook een kindergroep en die was nog het meest helder. De jonge kinderen wilden een honk voor de groteren, want die stonden met hun brommers shaggies te roken op hùn speelveldje. Kinderen uit groep 8 van de basisschool waren best een beetje bang om volgend jaar naar de grote school in een ander dorp te gaan. Ze voegen of we niet konden regelen dat de grote kinderen eens kwamen vertellen hoe het was. Heel concreet allemaal. Terwijl de wethouder een heel verhaal ophing over vandalisme en jeugdcriminaleit. Ik zou zeggen: Ga eerst eens met die kinderen praten. Moraal preken past niet bij deze tijd. Je moet er ook naar handelen.”

En dat doen veel ouders, is Singers stellige overtuiging. En zij wordt daarin gesteund door een onderzoek van het SCO Kohnstamm instituut naar de opvoeding in Nederland. Ouders hanteren op grote lijnen dezelfde waarden en normen. Een van de onderzoekers, de hoogleraar opvoedkunde in Amsterdam Jo Hermanns, stelt dat 80 tot 90 procent van de opvoeders geen problemen heeft met opvoeden. Het zijn mensen die bewust hebben kunnen kiezen voor kinderen, een redelijk stabiel levenspatroon hebben, een redelijk inkomen en aandacht voor hun kinderen. Hij spreekt over bewust en betrokken ouderschap en constateert een paradox: er wordt in Nederland met buitengewoon veel motivatie en aandacht opgevoed, maar er is een toenemende jeugdproblematiek. De druk op de voorzieningen van de jeugdhulpverlening is groot. Volgens de Raad voor het jeugdbeleid heeft tien tot vijftien procent van de jeugd meervoudige problemen. Er worden steeds meer cellen voor jeugdigen gebouwd en het aantal zwerfjongeren neemt toe.

Singer: “We weten dat er in iedere samenleving ouders zijn die tekortschieten. Kinderen gaan soms ook een heel andere kant uit dan ouders hopen of verwachten. Dat is van alle tijden. Misschien is dat nu meer dan voorheen? Ik weet het niet. Je ziet wel dat het grootste deel van de kinderen in de jeugdzorg al een hele hulpverleningsgeschiedenis hebben. Kinderen uit gezinnen die al in een vroeg stadium hulp nodig hadden, maar geen adequate steun vonden. Kinderen die daarom uit huis geplaatst zijn. Om díe kinderen, dáár maak ik me het meest zorgen om. En dat zouden politici ook moeten doen.”

Singer doet momenteel onderzoek naar de beleving van kinderen in de pleegzorg. Het zegt al wat van onze maatschappelijke opstelling, vindt ze, dat er nooit eerder onderzoek is geweest naar wat deze kinderen zelf vinden van hun situatie. Maar wel naar de gedragsproblemen die zij hebben of de problemen die zij geven.

“Die kinderen hebben het thuis slecht gehad. De overheid neemt na een uithuisplaatsing de taak van de ouders over. En hoe zit het dan met de morele opvoeding van die overheid? In het gezin hadden ze het niet goed en daarbuiten is een wereld waarin ook niet naar hen wordt geluisterd. Zij worden ergens geplaatst. In een kindertehuis of van het ene naar het andere gezin gestuurd. Er is geen oor voor verzoeken om broer en zus bij elkaar te houden. Niemand die vraagt òf ze wel naar een andere school willen, weg van hun vriendjes. Niemand die zorgt dat ze naar muziekles kunnen blijven gaan. Voor deze kinderen kunnen politici veel verbeteren. Niet door te zeggen dat zij normen en waarden moeten leren. Dan lachen ze je uit. Wie eisen stelt aan kinderen, moet hen ook rechtvaardig behandelen.”

mailIcon print |