*

 
dossier

Archief

Verstand van de markt

KEES DE VRE − 28/01/97, 00:00

In de eerste krant van het nieuwe jaar staat een levensgrote vergissing: 'de markt is uit', zegt een geleerde trendwatcher. Geen levenservaring denk ik onmiddellijk en vermoed een socioloog die, weliswaar aan de krant zijn exclusieve kennis om niet aanbiedt, maar elders voor veel geld zijn adviezen verkoopt. Weggegooid geld.

Onwillekeurig denk ik terug aan mijn tante Ali. Alleen lagere school maar wat een verstand van de markt. Als kleine jongen kwam ik er vaak en zag hoe ze aan het eind van de middag het pand verliet met twee enorme boodschappentassen om een uur later hijgend de welgevulde tassen op de aanrecht te laten ploffen. Met haar onovertroffen afdingkunst had tante Ali voor een prikkie op de markt haar inkopen gedaan. Ze kon smakelijk vertellen over al die kooplieden. Deze leerschool kreeg een vervolg toen ik als tiener een zakcentje bijverdiende met het opbouwen van marktstallen voor een oom van me. Wat zich op die markten in Amsterdam en Beverwijk afspeelde zoog ik in me op.

Hoe mijn oom 's morgens vroeg met kooplieden onderhandelde over de huur van een kraam, hoe mensen later op de dag afdingend hun eten en drinken verzamelden, hoe mijn oom aan het eind van de dag op de achterkant van een sigarendoos zijn omzet berekende. Het bestaan was en is toch vooral de zorg om het dagelijks brood werd me duidelijk, behoeftebevrediging van consumenten noemen economen dat deftig. Mensen met wensen dus, met gedachten en gevoelens, die balen van hun werk en hun buurman en houden van hun kat en een broodje haring. Waar al die mensen samenkomen om wensen te vervullen of te zien vervliegen, soms met een paar, soms met velen, meestal fysiek, steeds meer elektronisch, is sprake van een markt. Daar wordt onderhandeld en gehandeld. Dat beeld is in de loop der jaren regelmatig genuanceerd en bijgesteld - markten werken niet altijd even goed, soms helemaal niet en de moraal doet zich bij tijd en wijle ook gelden - maar de kern is overeind gebleven. Ruilen met de bedoeling er beter van te worden is een zeer oude menselijke bezigheid. Archeologen hebben ooit attributen van handelsreizigers uit het bronzen tijdperk (1000 v. Chr.) gevonden. Als aan het eind van de Middeleeuwen de statusmaatschappij plaatsmaakt voor een contractmaatschappij, bepaalt je geboorte niet langer je levenslot maar je eigen min of meer vrije keuzes. Het tot dan toe in de marge opererende ruilprincipe promoveert tot kernbegrip in de samenleving. De begeerte naar economisch voordeel wordt aanvaard als een natuurkracht zoals seks en agressie, zo omschrijft historicus R. H. Tawney deze ontwikkeling. Als Adam Smith een aantal eeuwen later The Wealth of Nations - algemeen beschouwd als de bijbel van het kapitalisme - publiceert, poneert hij geen fonkelnieuwe theorie, maar presenteert hij een onmetelijk panorama van observaties uit het leven van alledag. Elk mens kent uit zijn eigen geschiedenis zulke observaties van een ruil. Soms zijn ze bizar. Zo werd mij na een enerverende avond in Las Vegas, die hoofdstad van de valse hoop, twintig dollar geboden als ik mijn barkruk afstond. Soms is het jong geleerd. Zo weet mijn dochter van nog geen drie me een halve mandarijn te ontfutselen met de woorden 'gisteren heb jij van mij een dropje gehad, papa'. Meestal echter zijn ruilhandelingen heel gewoon, zo gewoon dat we ze niet eens meer in de gaten hebben. Elke druk op een kassaknop is in feite een ruilhandeling. De Amerikaanse antropoloog Marshall Sahlins beschrijft in zijn Stone Age Economics 'primitieve' samenlevingen die op geen enkele manier met de onze zijn te vergelijken maar wel drie ruilprincipes kennen. Een ruil om niet, een ruil van zaken met vergelijkbare waarde en ruil waarbij de initiatiefnemer er meer uithaalt dan hij erin stopt. Ruilen zit in onze genen. De markt 'uit' verklaren is niet alleen niet correct, het is onzinnig. De markt is een deel van het leven zelf.

mailIcon print |