Staatssecretaris Nuis zou graag meer allochtonen zien in de 'door allen gedeelde culturele ruimten'. Een Turks toneelstuk in een theaterzaal die even kaal is als de hedendaagse protestantse kerk? Punt voor de Cultuurnota die de Tweede Kamer volgende week gaat vaststellen. De auteur is directeur van de Boekmanstichting, studiecentrum voor kunst, cultuur en beleid te Amsterdam
Maar die accommodaties zijn helemaal niet zo neutraal als ze er in autochtone ogen uitzien. Ze zijn evengoed het product van religieuze ontwikkelingen als die, welke de allochtone kunst vaak omgeven. Terwijl men wel begrijpt waarom een islamitische godsdienstoefening zich moeilijk verdraagt met de ambiance van een witte, protestantse kerk, wordt een opvoering van Turks toneel in een 'zwarte doos', zoals de ideale theaterzaal heet, in het kunstbeleid als een normale zaak ervaren.
Statisch en sober
De verwevenheid van culturele en religieuze ontwikkelingen in Nederland blijkt uit de gemeenschappelijke karaktertrekken van kerkinterieuren en theaterzalen. Beide accommodaties zijn in de loop van enkele eeuwen nogal kaal geworden. In de kerken is de invloed van wat Max Weber de 'protestantse ethiek' noemt duidelijk traceerbaar. Na de reformatie werd het interieur van protestantse kerken almaar statischer en soberder. De versiering van de ruimte werd ingeperkt, het liturgisch muziektheater verbannen. Kenmerkend voor de protestantse kerk is dat de hele handeling rondom het liturgisch centrum is gecentreerd. De zitbanken staan zo opgesteld, dat iedere gelovige de predikant kan horen en zien. Omgekeerd kunnen de gelovigen niet meer ontsnappen aan de rondvorsende blikken van de predikant. De protestantse dienst is een 'hoorcollege' dat de aandacht van de kerkgangers geheel en al opeist.
Met het Vaticaans Concilie van 1965 schaften ook de katholieke leiders de rituele handelingen en mysterieuze taalbouwsels van de hoogmis af. Die zouden 'te verhullend' zijn. De aldus doorgevoerde versobering ging ten koste van de traditionele cultuur van de liturgie. Passionen, gezongen missen en requiems werden vrijwel overal buiten de deur gezet. De religieuze boodschap werd tot haar verstandelijke essentie teruggebracht.
De kunstaccommodaties vertonen een ontwikkeling die parallel loopt met die van de kerken. Ook in de schouwburg herkent men de toenemende soberheid. De weelderige operagebouwen van de achttiende en negentiende eeuw waren nog te vergelijken met rijk versierde kathedralen waar het ook buiten de liturgische plechtigheden om goed toeven was. In deze eeuw moet de handeling op het toneel alle aandacht krijgen. Verder mag er niets te zien of te horen zijn, want dat kan afleiden. De zaalarchitectuur en het strenge stoelenplan dragen bij aan het dwangkarakter van de voorstelling. In niets onderscheidt een voorstelling van podiumkunst zich van een dienst in een hedendaagse protestantse kerk. Beide gebeurtenissen getuigen van een maximum aan doelmatigheid: de boodschap moet zo efficient en volledig mogelijk worden overgebracht. De hedendaagse theatrale setting van de podiumkunsten komt zo doordacht en logisch over, dat je haast zou denken dat ze tijdloos en universeel is en niet het product van een lange, plaatsgebonden geschiedenis.
In het Nederlands kunstbeleid van 1996 worden religieuze connotaties die kunst mogelijk heeft onder het bureau gewerkt. Natuurlijk zijn die connotaties er wel bij het publiek, denk alleen maar aan de talrijke opvoeringen van de Matthaüspassion elk jaar, of aan de tentoonstelling 'Gebed in schoonheid' in het Rijksmuseum. Maar als die passionen of tentoonstellingen met religieuze kunst gesubsidieerd worden, is dat vanwege hun artistieke kwaliteit en niet vanwege de religieuze gevoelens die ze kunnen oproepen. In de Cultuurnota die de Tweede Kamer volgende week gaat vaststellen is eigenlijk nergens ruimte voor andere subsidieoverwegingen dan van wetenschappelijke of artistieke aard.
Allochtonen die iets van hun cultuur willen laten zien zijn in de meeste gevallen op de gesubsidieerde kunstaccommodaties aangewezen. Deze gang van zaken wordt in het kunstbeleid zo ongeveer tot algehele richtlijn verheven. De richtlijn schrijft voor dat de nationale kunstinstellingen meer aandacht aan cultuuruitingen van allochtone Nederlanders moeten besteden. Deze maatregel vloeit voort uit de wens van staatssecretaris Nuis, dat het aandeel van migranten in de 'door allen gedeelde culturele ruimte' groeit. Want, zo constateert hij, Nederland is een land van veel culturen, maar in het openbare culturele leven is dat nog nauwelijks merkbaar.
Inderdaad, musea en theaters zijn openbare gebouwen. Museummuren zijn zo wit en de theaterzalen zo zwart: waarom zouden ze niet kunnen fungeren als neutraal transferpunt tussen de autochtone en allochtone cultuuruitingen? Dat dit niet zo gemakkelijk gaat komt, denk ik, omdat niet iedereen wit en zwart als neutrale kleuren ervaart. Nederlanders zijn door en door gewend aan de nationale protestantse ethiek die zich weerspiegelt in de theaterarchitectuur, het keurige publieksgedrag en het rechtvaardige systeem van kunstbeoordeling en subsidieverlening.
Ik verwerp dat allemaal geenszins. Maar mensen die niet doordrenkt zijn van de Nederlandse cultuurgeschiedenis voelen zich in onze culturele voorzieningen helemaal niet op neutraal terrein. De beperktheid van onze eigen cultuurbouwsels dringt pas tot je door als je met religieuze of culturele uitingen van allochtone Nederlanders wordt geconfronteerd.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.