*

 
dossier

Archief

Toneel is nooit stilstaand water

HANNY ALKEMA − 20/02/97, 00:00

De tournee van 'De Twaalf Gezworenen' duurt tot en met 28 maart.

De situatie deed denken aan de beginscène van 'De Twaalf Gezworenen', waarin een eenling het opneemt tegen de elf anderen die een zestienjarige jongen, die van moord op zijn vader wordt verdacht, zonder pardon 'schuldig' willen verklaren. Gaat in het stuk de een na de ander 'om', aan het denken gezet door gerede twijfel, in 'De Plantage' lieten de acteurs zich niet in verwarring brengen. Zij negeerden de wat schuchtere tegenwerpingen van hun collega eenvoudigweg.

Toch is Wim van den Heuvel blij dat hij zijn mond heeft opengedaan: “Ik was niet echt van plan iets te gaan zeggen. Eigenlijk ben ik een beetje bang voor interviews, vooral op televisie. Je ziet zoveel mensen niet veel verder komen dan gemeenplaatsen en ge-eh en ge-uh, en dan is er weer een uur zendtijd naar de knoppen. Het is toch een kwestie van goed kunnen formuleren en in het openbaar spreken. De grootste wijsheden die ik ooit heb verkondigd zijn tenslotte ook door anderen geschreven en heb ik alleen maar uit mijn kop hoeven te leren. Maar in dit geval was de aanval wel wat erg eenzijdig.”

“Ik kan me niet vergelijken met een Frederik de Groot, of met Manfred de Graaf en John Leddy die beiden jaren in 'Zeg 'ns AAA' zaten. Maar het toneel verwijten dat je niet voor mooie rollen wordt gevraagd, vind ik nonsens. Net zoals ik acteurs, die zelf nooit een televisierol hebben gehad en katten op televiesiebekendheid, verdenk van kinnesinne. Het is best leuk om op straat herkend te worden en zelf heb ik nooit nadeel van mijn televisiewerk ondervonden. Een Peter Tuinman; die heeft toch ook nergens last van. Of Gijs Scholten van Aschat; die speelt de mooiste rollen, op tv èn op toneel.”

Dit jaar is het vijfenveertig jaar geleden dat Wim van den Heuvel van de toneelschool kwam en bij het beroepstoneel werd geëngageerd. Honderden rollen heeft hij inmiddels gespeeld, bij diverse gezelschappen, op televisie, in enkele films ('Fanfare'). Geen steracteur en zelden in de hoofdrol, maar zijn kop met de schalks twinkelende ogen onder de borstelige wenkbrauwen vergeet je niet licht. Die kop maakt hem zeer geschikt voor de komische noot. Zelf heeft hij een voorkeur voor wat shabby personages met een komische uitstraling ondanks zichzelf. Een bescheiden acteur. “Ik heb geluk gehad, of: tot mijn geluk”, zijn herhaaldelijk in het gesprek opduikende tussenzinnetjes.

“Ik ben toneelspeler. Toneelkunstenaar zou ik mezelf niet durven noemen. Na de mulo kreeg ik een kantoorbaan. Naar de toneelschool gaan was iets wat gewoon niet in m'n hoofd opkwam. Dat was, zoals ze dat bij mij thuis noemden, niks voor ons soort mensen. Sinds '46 ging ik wel kijken - ik zie nog steeds redelijk veel, blijf nieuwsgierig naar wat er gebeurt - en ik zat op amateurtoneel. In twee groepen. Eentje leidde ikzelf en de andere was onder leiding van Egbert van Paridon. Die zei op een gegeven moment tegen ons, een aantal jongens: gaan jullie maar eens figureren in de 'Gijsbreght'. En zo stond ik in januari 1948 voor het eerst op de planken van dat gebouw daar.” Glimlachend knikt Wim van den Heuvel in de richting van de Amsterdamse Stadsschouwburg.

“Het was een hele belevenis. Na die nieuwjaarsserie ben ik toch gewoon weer naar kantoor gegaan, al had ik wel de smaak te pakken gekregen. Mijn ouders vonden het maar niks. Ik heb tot mijn eenentwintigste gewacht, wat destijds nog de leeftijd was waarop je volwassen werd, maar heb toen het kantoor verlaten voor de Academie voor Dramatische Kunst, haakje openen: de toneelschool, haakje sluiten. Zo stond dat op de gevel. Willy Pos, de directeur, zei: jij bent een van de weinigen die van z'n hobby z'n beroep kan maken. Dat maakte me wel even bang. Ben ik dan nu mijn hobby kwijt, dacht ik, maar dat is niet gebeurd. Ik vind het nog steeds leuk om te doen, omdat het altijd verrast. Toneel is nooit stilstaand water, er is altijd golfslag.”

“Ik heb geluk gehad. Na de toneelschool kon ik steeds, als ik bij het ene uitgekeken dreigde te raken, bij een ander gezelschap komen. Eerst heb ik acht jaar bij toneelgroep Puck gespeeld. Daarna bij Ensemble, de Nederlandse Comedie, Centrum, Nieuw Rotterdams Toneel. En toen dat werd opgeheven belde Carl van der Plas op en kwam ik bij de Haagse Comedie. Daar heb ik tot het eind gezeten. Dat zijn op het laatst soms nog best moeilijke jaren geweest. Ik geloof dat regisseurs en spelers zo nu en dan moeten wisselen, anders raak je op elkaar uitgekeken. Bij de Haagse Comedie kwam er op zeker moment geen nieuw bloed meer bij en wegkomen was ook al niet eenvoudig. Ik was over de vijftig, had een goed salaris en was dus te duur. Gelukkig kon ik daarna overstappen naar Het Nationale Toneel en met heel veel nieuwe mensen werken: Leonard Frank, Franz Marijnen.”

“Tot de Actie Tomaat was toneel niet echt voorspelbaar, maar het werd wel volgens een bepaalde traditie gemaakt. Daarna is er veel veranderd. Toen ik Werkteater zag, en Baal en wat toen het margetheater heette, was ik verrast dat dat ook met theater kon. Ik geloof eigenlijk dat er niet zoiets als Hèt Vakmanschap bestaat. Vroeger leerde je, dat je woorden als 'licht' en 'lucht' heel hoog moest zeggen, en woorden als 'donker' en 'zwart' juist met een lage stem, tot iemand - ik geloof dat het Ton Lutz was - zei: we hoeven iets dat rood is niet nog eens rood te kleuren. Dan heb je het meteen over een ander soort vakmanschap. Het ontwikkelt zich, verandert steeds.”

“Ik heb het geluk gehad ook met jongere regisseurs als Johan Simons, in de 'Othello', en Ivo van Hove te werken. Bij Van Hove was het wel een heel kleine rol, senator in de 'Caligula' van Camus, maar het was prachtig om van zijn manier van regisseren kennis te nemen. Zelf heb ik nooit de ambitie gehad om te regisseren. Misschien was het luiheid of misschien wist ik diep in mijn hart, dat ik het niet zou kunnen. Ik kan wel iets zeggen over tekstindeling of bepaalde emoties, maar als regisseur moet je visie hebben en een goed uitgangspunt. Soms zie ik voorstellingen of hoor ik van regisseurs een interpretatie op een stuk, waarvan ik denk: daar zou ik nooit opgekomen zijn. Nog in geen honderd miljoen jaar.”

“Het klinkt misschien gek, maar pas bij Het Zuidelijk Toneel heb ik geleerd om de tekst van tevoren zo goed mogelijk te kennen. Vroeger stond alles al vast, als je aan de repetities begon, waren zelfs klemtonen al door de regisseur vastgelegd. Dus lag het voor de hand, dat je de repetities begon met het boek in de hand. Van Hove pikt dat gewoon niet. En het is waar: nu je meer vrijheid hebt om zelf dingen met je rol te doen, is het makkelijker om de tekst al te kennen. Dan kun je ook beter je collega's volgen en reageren op wat er gebeurt.”

“Bij 'De Twaalf Gezworenen' heb ik geprobeerd aan de rol te beginnen, zoals die jury uit de rechtszaal moet komen. Redelijk ontspannen, maar met het gevoel: ik ben moe en wat is het warm; er gebeurt nog niets, iemand zegt iets, je hoort het, maar pas na verloop van tijd krijg je het idee 's te moeten reageren. Elke avond probeer ik op die manier de spanning weer op te bouwen. Dat accent - ik houd er niet zo van, maar het moest wel, omdat andere juryleden erop reageren: ik ben een van oorsprong Duitse immigrant - houd ik zo licht mogelijk. Door hardop in een Duits boekje van mijn zoon, die op de havo zit, te lezen heb ik proefondervindelijk ontdekt wat bruikbaar was.”

“André van den Heuvel bevestigde dingen die goed waren en dat werkte inspirerend. Hij is een typische toneelspeler-regisseur, die kleur kan aangeven door voor te doen. Dat de voorstelling nu genomineerd is voor de Gouden Gids Publieksprijs is heel fijn, maar vooral dat je mèrkt dat het publiek het echt waardeert. Sommigen bedanken je zelfs na afloop. Wat oubollig, de voorstelling? Dat zou kunnen. Er veranderen weleens accenten. Dat doe je niet bewust. Het is zo lekker als je de lach aan je kont hebt hangen. Zoiets gaat geleidelijk. Ik denk dat, als André weer komt kijken, hij drie acteurs zou toespreken. Nee, ik zeg er niks van. Zoiets zou ik me alleen permitteren als ik een dragende rol had.”

“Ik heb nooit 'nee' kunnen zeggen tegen een rol die me werd aangeboden, wat ik wel 's jammer heb gevonden. Het is net als bij een goed huwelijk: je hebt er ook weleens de pest in. In de klassieke tragedies, hoe mooi ook, speel ik liever niet. Wel Tsjechov. Met zijn personages kan ik meer spelen, er iets uitlichten, een ietsje meer komisch, een ietsje meer weemoed. Dolgraag ook had ik, toen ik jonger was, Jonker Tobias in Shakespeare's 'Driekoningenavond' willen spelen, omdat het een Bourgondiër is, een groot kind, dat mensen graag voor het lapje houdt. Zolang ik nog bezig kan blijven, word ik niet gauw oud, denk ik. Een paar jaar wil zeker nog doorgaan, al trek ik op mijn leeftijd geen vijfjarenplan meer.”

mailIcon print |