“Parma passeerden ook de pelgrims die uit Duitsland, via het Garda-meer en Mantova kwamen, je kon ze de weg wijzen naar de Apennijnen, die halverwege tussen Parma en Fidenza voor hen links afsloegen. Op dat punt staan we nu. We vertrekken; opnieuw de bergen tegemoet, die we vandaag nog niet zullen zien, want ons reisdoel ligt maar enkele kilometers hier vandaan.” De dichter Rein Bloem trok de afgelopen jaren langs de landschappen, de stadjes, de kerken, de kloosters en de pleisterplaatsen van de Francigena, de pelgrimsroute die van de Franken, of Frankrijk afkomt, en naar de Eeuwige stad loopt. In 10 afleveringen doet Bloem dit jaar verslag van zijn tocht langs 's Heren wegen. Vandaag zijn tweede verhaal: “Want de twee baarlijke duivels aan die kant kunnen niet op tegen de engel met zwaard.”
En zo gebeurde het dat onze bisschop voorbij Fidenza de Via Aemilia verliet, om de route langs de Mons Langobardorum (kortweg Monte Bardone) te volgen. Daar zou zijn kostje spoedig gekocht zijn. Dichtbij het toen onbeduidende kerkje in Berceto, nog geen kilometer van de pas, die nu Cisa heet, 1000 meter boven de lokkende Thyreense Zee (niet te verwarren met de Adriatische), bracht hij met zijn klerk of koorknaap Vulfado de nacht door. Hij hing zijn kostbare kledingstukken aan een wilg en ... vergat ze de volgende morgen in te pakken. Vulfado moest terug om ze alsnog op te halen, maar wat hij ook deed, hij slaagde er niet in, hij kon er met geen mogelijkheid bij. Moderamnus, dit vernemend, ging zelf poolshoogte nemen, maar ook toen bleven de relieken buiten bereik, ze werden door Gods hand telkens omhoog getrokken. De bisschop begreep de wenk en liet het wasgoed hangen. Hij droeg het wonder op aan het kerkje in Berceto en trok verder naar Rome, in de wetenschap dat zijn verhaal als een lopend vuurtje zijn gang zou gaan.
Toen hij na maanden, op de terugweg, weer in Pavia aankwam, het beginpunt van de Frankenroute, werd hij verwelkomd door de Longobardenkoning Liutprand, die hem vol ontzag toezegde een omvangrijke kloosterkerk te vestigen in Berceto en die als leen te geven aan de kerk van Sint Remi in Reims, waar het avontuur was begonnen. Moderamnus bracht de blijde boodschap over en keerde, toen de bouw voltooid was, zonder zijn spoorloos verdwenen klerk, naar Italië terug. Hij promoveerde weldra tot abt, verdiende na zijn dood een standbeeld in de kerk en werd heilig verklaard. Zo kreeg het wonder zijn beslag.
De gevolgen bleven niet uit: op weg naar de pas kwamen in de komende eeuwen vrij kleine kerken van de grond, elk met een bezienswaardigheid waaraan de pelgrims niet voorbij konden gaan. Het loont de moeite om ze op te zoeken vóór de millenium-gangers in hun touringcars de streek onveilig maken. Blijf bijvoorbeeld stilstaan bij de doopvont in de San Prospero van het stadje Collecchio. We zien daar een prachtig reliëf, waarin Johannes de Doper met een assisterende engel Jezus in de Jordaan dompelt. Zijn hoofd met aureool steekt nog net boven de versteende golfjes uit, maar we mogen onder water kijken hoe Hij er van nature uitziet.
Raadselachtig is het nog altijd niet ontcijferde opschrift HBA MISIS, maar het oog blijft haken aan een vermakelijk detail: de Doper staat daar niet op blote voeten; hij houdt ze droog, want Hannes staat op klompen! De maker van dit reliëf is onbekend, maar je ziet hem voor je aan het werk, als hij opeens dat schoeisel verzint. Gai saber, zeiden de troubadours, de vrolijke Fransen die van wanten wisten.
Een ander lichtend voorbeeld: de lunet (het halve maantje) boven het portaaltje van de San Biagio in Talignano, in de buurt van Collecchio: we staan er in een soort parkje met onze neus bovenop. Een weegschaal met twee mandjes waarin een hoofdje ligt. Het voor ons linker mandje weegt iets zwaarder dan het het rechter en je begrijpt dat ogenblikkelijk, want de twee baarlijke duivels aan die kant kunnen niet op tegen de engel met zwaard, die met de nodige moeite, maar vanzelfsprekend beslissend, weer eens een zieltje redt. De voorstelling, die in Frankrijk tot het Romaanse repertoire behoort, is in Italië bij mijn vrolijk weten uniek. Een zogenaamde Psychostasis.
Met de zielentroost van de pelgrim - de Pilgrims Solace van musicus John Dowland, semper dolens, altijd dwalend - trekken wij verder en komen in Fornovo. Steek daar de Taro niet over, want je komt onherroepelijk op de racebaan naar La Spezia terecht. En dan mis je iets moois, de Santa Maria Assunta, de kerk die verscholen ligt op een pleintje met een paar aardige winkeltjes, maar zonder toeristen. In de voorgevel zijn enkele beelden geplaatst, misschien ooit van elders gehaald en later kundig over het vlak verdeeld: een robuuste, onthoofde pelgrim in een nis; behangen met vijf zware sleutels, in naam van Petrus, het kenmerk van de bedevaart naar Rome, zoals de schelp dat is voor de tocht der tochten naar Compostel a in Noordwest-Spanje. Deze imponerende man draagt in zijn rechterhand een op het oog goed gevuld houten emmertje, een zware ransel op zijn rug en een bisaccia, een bedelzak, aan zijn linkerzij. Zo'n uitrusting heeft niets symbolisch en maakt hem zo aards als maar zijn kan.
Dat kan niet gezegd worden ten aanzien van een ander gevel-verhaal: een tafereel in de hel, waar een legioen duivels zondaars in een monsterachtige walvis kiepen en lotgenoten in een badkuip duwen, waaronder hitsige handlangers met blaasbalgen het vuurtje aanwakkeren. In het midden van de voorstelling wordt een man-zonder-gezicht met drie berstensvolle zakken beladen en van boven door een blok marmer in de hand van de opperdroes nog verder in de verdoemenis gedrukt. Hij verbeeldt ongetwijfeld een gierigaard, die op adequate wijze zijn straf krijgt opgelegd. Dat thema of motief is overal in Romaans Europa zichtbaar en als je geluk hebt, sta je er altijd weer van te kijken als een vindingrijke, oorspronkelijke maker in een overbekend register opeens een andere toon aanslaat. In Fornovo geldt dat voor die foute man met dat blok op zijn nek, terwijl hij drie loeizware zakken omarmt.
In de kerk is nog een meesterwerk aangebracht: een stripverhaal op een steen van één stuk, van onzekere afkomst maar wat doet dat ertoe; nu staat het in volle glorie tegen het altaar verankerd, je gaat er zonder bedenken op af. Het reliëf vertelt in acht episoden, beurtelings boven en onder in beeld gebracht, de martelgang van de maagd Margherita uit Antiochië, bekend uit apocriefe Griekse bronnen. We ontmoeten haar in een rijke natuur, een aards paradijs waar zij aardige geitjes hoedt; daar haalt een ruiter haar op en hij voert haar naar de prefect aan het hof van Diocletianus; onschuldig, waaraan dan ook, wordt zij ter dood veroordeeld, in een kerker gesloten, met zwepen gegeseld, genageld aan een primitief kruis. In al die stadia blijft ze onverstoorbaar glimlachen, ze kijkt sereen voor zich uit of, beter, in zichzelf; een monster en een draak staan verlekkerd op haar getormenteerde lijf te wachten, maar haar ziel ontsnapt aan al dat kwaad.
We zouden rechtdoor naar Berceto kunnen gaan, langs een vrij stille weg, die af en toe te lijden heeft van aardverschuivingen, of de zijweg inslaan die loopt naar het gehucht Bardone, waar we in de toekomst een onvoorstelbare kruisafname mee zullen maken; maar nu keren we, omwille van de suspense, langs dezelfde weg als wij gekomen zijn, terug: Fornovo ... Talignano ... Collechio ... tot we de weg bereiken van Fidenza naar Parma, die parallel loopt aan de A1, de autobaan van Milaan naar Bologna. Het wegennet was daar in de Middeleeuwen al ingewikkeld: je kon van Fidenza meteen naar Fornovo, je kon ook doorlopen naar Parma, de hoofdstad van de streek, de werkplaats van de beroemde bouwmeester Antelami, die we nog eens tegen zullen komen.
Parma passeerden ook de pelgrims die uit Duitsland, via het Garda-meer en Mantova kwamen, je kon ze de weg wijzen naar de Apennijnen, die halverwege tussen Parma en Fidenza voor hen links afsloeg. Op dat punt staan we nu. We vertrekken; opnieuw de bergen tegemoet, die we vandaag nog niet zullen zien, want ons reisdoel ligt maar enkele kilometers hier vandaan.
Het landschap oogt vruchtbaar en is vlak en stil. Geen reisgezelschap rijdt hier langs. Zelfs Japanners hebben Vicofertile, want daarheen gaan wij, nog niet ontdekt. Het is een landelijk dorp met slechts 500 inwoners. Er is geen bebouwde kom, de boerenhuisjes liggen uiteen. Op een terpje staat de San Geminiano, alom goed te zien. Aan één kant grenzend aan een irrigatiekanaaltje; aan de andere kant een netjes onderhouden sportveld waarop een paar kinderen spelen. We lopen om de kerk heen, bewonderen de grijze tinten van de oostkant, zonder reliëf of andere beelden, wel voorzien van twee portaaltjes, waarvan de deuren open staan. We hebben 25 meter afgepast als wij de hoek omgaan en zien dat aan die noordkant, zo'n 14 meter breed, twee in plaats van de gebruikelijke drie absides zijn (de halfronde uitbouw achter het koor). De derde zal vervangen zijn door een bescheiden, vierkanten toren.
De westzijde springt na 5 meter iets uit; daar moet, denken wij, het koor eindigen en het linkerschip beginnen. Geen ingangen, geen versiering, grijze eenvoud. Voor de zuidkant blijven we staan, precies in het midden is daar de hoofdingang. Voor we naar binnen gaan, schatten we de hoogte van de voorgevel, 13 meter ongeveer. Het is een eenvoudig en uitgekiend bouwwerk, niet bijzonder maar rustgevend. Het inwendig zal klassiek zijn: drie schepen met drie compartimenten tot aan het koor, twee-maal-drie symmetrisch geplaatste pilaren. Dat klopt: het middenschip blijkt te bestaan uit drie vierkanten met de zuilen op de hoeken, keurig in het gelid. Uit gewoonte kijken we omhoog, op zoek naar kapitelen. Er zijn er, halverwege de zuilen, zes en bovenaan nog enkele, die weinig of niets voorstellen. Dat gaat niet op voor de onderste serie: je kan je ogen meteen al niet afhouden van een langgerekt paard met een lilliput-ruiter, die een piepklein schildje om de linkerarm draagt, een driehoekje van niks. Vaak verzinken kapitelen in de steen, omringd als ze zijn door bloemmotieven of guirlandes; hier is de achtergrond leeg en wit, zo steekt het reliëf uiterst helder af, mannetje en paard springen krachtig naar voren. Het zestal, waartoe ook behoren een Adam met Eva, een wijnboer die de ranken snoeit, een Bacchus met een bloemenkrans, allen helder verbeeld, is door wetenschappers wel verklaard als een allegorie van de maanden ... maar waarom is de jaarring dan niet voltooid, nee, die interpretatie is niet plausibel. Deze kopstukken zullen voor altijd op ons netvlies staan, wat willen we nog meer?
De maker van dit moois had er echter nog niet genoeg van en bezorgt ons een nog grotere verrassing: in het eerste part van het linkerschip staat een ambo (of ambon), een stenen verhoog van een paar treden. Daar worden we getroffen door een groot object, rustend op een marmeren voet. Het is een doopvont met een spanwijdte van één meter en een hoogte van 70 cm. Dat naar verhouding fenomenale bekken is eveneens uit grof, enigszins poreus, marmer gehouwen; gebroken wit. Het oppervlak is met liefde gepolijst om de vijf personages, die in de omtrek aan de buitenkant in reliëf zijn aangebracht, duidelijk te onderscheiden van de steenmassa. Vijf jongelieden, los van elkaar, behalve een tweetal dat elkaar de helpende hand biedt. Van de eenlingen heeft er één een kruis op een statief in zijn rechter- en een wierookvat in zijn linkerhand; een ander heft met twee handen een enorme kerkkaars, waarvan zelfs het vlammetje in steen is vereeuwigd; zijn dubbelganger doet op grote afstand insgelijks; het aparte paar beurt samen de schrift...
Er is hier geen levende ziel. In bijna geen reisgids wordt de vont vermeld. De Dumont Kunst-Reiseführer van Werner Goez, Von Pavia nach Rom, die ik vanaf de vierde druk (1980) doorgaans plunder, zet Vicofertile niet eens op de kaart. Zelfs de grote kenner van La Via Francigena, Renato Stopani (1988), besteedt er maar in luttele woorden wat aandacht aan en slaat de plank mis: una processione di pellegrinaggio è scolpita nel fonte battesimale a immersione, dat is een pelgrimsprocessie, afgebeeld op een doopvont.
Andere interpreten, die ik vaak oneerbiedig symbolenvlooiers noem, denken aan een liturgische plechtigheid bij de inwijding van het bekken, maar beide hypothesen zijn verre van overtuigend en zeggen niets over wat je wezenlijk ziet. Laat je niet de kans ontnemen onbevangen rond te kijken. Of het mag of niet ... we kruipen op het podium en volgen, diep gebukt, het spoor van de jongeling met het kruis en de wierook: zijn geschoeide voetjes gaan tegen de klok in. Het tweetal dat even verder op hem volgt komt ons bij wijze van spreken tegemoet, want de voetjes van de helper van de naast hem staande misdienaar wijzen naar links, dus met de klok mee. De celebrant echter is zo frontaal doende - het is of hij de gelovigen de les leert - dat hij, ondanks dat zijn voetjes nu juist weer naar rechts staan, helemaal niet beweegt. Aan de achterkant van het bekken loopt de eerste kaarsdrager op ons toe, zijn voetjes wijzen naar ons, hij kan ons zo maar passeren. Ten slotte zien we zijn broertje in de verte op zijn rug, hij draagt de kaars voor zich uit en loopt dus tegendraads.
Kortom: van een ordelijke processie kan geen sprake zijn. Ommegang is een passender woord, maar dat slaat dan wel op ons, de kijkers, die de moeite namen om het ding heen te kruipen.
Er is nog meer: de baardeloze jongens zijn voor de gelegenheid naar behoren gekapt en gekleed; haar voor haar is in een zig-zag-patroon opgemaakt, plooien in de kleding zijn of kaarsrecht of sierlijk gesneden. Ze lijken wel verkleed, onze acteurs, we zien een poppenspel, een vertoning van en voor kinderen. Beweging en stilstand zijn één pot nat, we wonen een pantomime bij, een sur place, waar geen einde aan komt.
Ook deze zienswijze houdt geen stand. We maken ons los van het kinderspel en staan weer met twee benen op de begane grond. Maar dan vindt iets plaats, waar we tot nu toe geen weet van hadden, dit was niet te voorzien ... Alle poppen zetten grote ogen op, als je recht voor hen staat, wat fotograferend niet meevalt, want er is ruimtegebrek.
Wat drukken die ogen vol verbazing of verbijstering uit, wat delen zij mee? Niets natuurlijk, maar zoals in alle grote kunst, worden hier onverhoeds de rollen omgekeerd: wij zijn het niet die kijken, wij worden zelf in ogenschouw genomen en, gezien die verbijstering, valt het oordeel van de subjecten - wij zijn het doelwit - niet mee.
Zoals in het min of meer nabije Bologna de schilder Morandi flesjes, doosjes en kannetjes dicht opeen plaats laat nemen op zijn werktafel, een groepje kijkers naar een rare kostganger, tot je zwicht voor de materie en onbeantwoord jezelf afvraagt waarheen en waartoe ... zo spreken de marionetten en hun bespeler in de San Geminiano jou aan. En het blijven kinderen ... met van die ogen.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.