De componist van het simpele liedje 'Heidenröslein', van de geweldige liedcyclus 'Winterreise', van de geliefde pianostukjes 'Moments musicaux', maar ook van de grootse 'Wanderer Fantasie', ook schepper van de zoete entr'acte en overbekende 'Rosamunde', maar eveneens van een serie nauwelijks bekende opera's, die componist werd op 31 januari 1797 geboren: Franz Peter Schubert. In vier donderdagse afleveringen leven we naar die verjaardag toe. Vandaag over de piano, 'Liebes Klavier'.
Een dilettant was Schubert echter allerminst. Daarvan getuigt zijn broer Ferdinand: “Hoewel Schubert zich niet voor een virtuoos uitgaf, bevestigen alle muziekkenners die hem in privékring hebben kunnen horen spelen, dat hij de piano meesterlijk en op geheel eigen wijze wist te behandelen, zo zelfs dat een groot muziekkenner, aan wie hij een van zijn laatste sonates eens voorspeelde, uitriep: 'Schubert, ik bewonder uw spel bijna nog meer dan uw composities'.”
Het is de vraag of deze opmerking voortkwam uit bewondering voor Schuberts pianospel, dan wel uit onbegrip voor deze sonates. Feit is dat Schuberts pianowerken laten zien dat de componist geen acrobaat van de toetsen was. Zijn technisch meest veeleisende werk is de 'Wanderer-Fantasie'. De moeilijkheden hiervan liggen niet zozeer in pianistisch geraffineerde passages, als wel in het feit dat het werk tamelijk orkestraal geschreven is.
In tegenstelling tot deze fantasie zijn de meeste van Schuberts pianowerken voor gevorderde amateurs technisch haalbaar, zoals de walsen, de 'Impromptu's' en de kortere 'Moments Musicaux' die tot zijn meest geliefde pianowerken behoren.
Naast enkele onbekendere 'Klavierstücke' en de werken voor piano vierhandig, met als hoogtepunt de wonderschone Fantasie in f-klein, vormen de 22 sonates het leeuwendeel van Schuberts piano-oeuvre. Bijna krampachtig probeerde Schubert hierin Beethoven te evenaren. Als Beethoven-imitator faalde hij, want deze sonates zijn typisch Schubertiaans. Het gemoed van de zachtmoedige schoolmeester was nu eenmaal evenwichtiger dan dat van de 'Titaan', met als gevolg dat de contrasten tussen thema's en delen geringer zijn.
Daartegenover staan echter de ongekunstelde behandeling van de piano en het originele gebruik van harmonie en de eigen dramatiek, die een hoogtepunt kregen in de sonates in c-klein (D 958), in A-groot (D 959) en in Bes-groot (D 960), die hij in september 1828 luttele weken voor zijn dood voltooide.
Het is nauwelijks voorstelbaar dat deze sonates in de negentiende eeuw nagenoeg volledig in de vergetelhied raakten. Sterker nog: tot diep in de twintigste eeuw telde Schubert als pianocomponist nauwelijks mee! De discografie van historische Schubert-uitvoeringen laat zien dat zijn populairste pianostukken bewerkingen zijn door andere componisten, naast de 'Impromptu' in Bes opus 142 nr. 3 en het 'Moment Musical' in f-klein.
Topper onder de transcripties was de 'Marche Militaire', een oorspronkelijke quatre-mains, die door Carl Tausig gearrangeerd werd tot een virtuoze solo. Franz Liszt drukte zijn verering voor Schubert uit in piano-bewerkingen van diens bekendste liederen, en hij verzorgde een 'Soirées de Vienne', een virtuoze collage en parafrase van Schuberts walsjes die men in de oorspronkelijke gedaante kennelijk te simpel vond.
Verantwoordelijk voor de herwaardering van Schuberts pianowerken in de twintigste eeuw was Artur Schnabel (1882 - 1951). Deze pianist geldt als de voornaamste grondlegger van de moderne pianoschool, omdat hij zich als eerste in zijn tijd volledig concentreerde op het blootleggen van structuur in de muziek, in plaats van de muziek te gebruiken om eigen emoties uit te drukken.
Schnabel was op het spoor van Schubert gebracht door zijn leraar, de legendarische Weense pianopedagoog Leschetizky. Op diens advies speelde hij op zijn debuutrecital een Schubert-sonate. “Dat werd in die tijd bijna nooit gedaan,” schreef Schnabel in zijn memoires. “Ik deed het, niet om anders te willen zijn, maar simpel omdat ik er dol op was.”
Hoe weinig bekend men in die tijd nog met Schubert was, blijkt uit een voetnoot in Schnabels biografie. Daarin wordt vermeld dat niemand minder dan de piano-virtuoos en componist Sergei Rachmaninov in 1928 gezegd heeft niet eens van het bestaan van Schuberts sonates op de hoogte te zijn!
Schnabel nam als eerste in de jaren '30 de belangrijkste sonates en andere solowerken op. Navolging kreeg hij van Edwin Fischer en zijn leerling Lili Kraus, die als geen ander met haar bevlogen Schubert-interpretaties een lans voor de componist brak.
Weer een generatie later volgden Alfred Brendel, Radu Lupu, Svjatoslav Richter, Paul Badura-Skoda en András Schiff, om alleen de bekendste te noemen.
Nog steeds is het aantal grote Schubert-vertolkers beperkt. Veel pianisten komen niet verder dan de 'Impromptu's', de 'Wanderer-Fantasie' of de arrangementen van Liszt. Ergens is dat wel voorstelbaar. Ook ikzelf had lange tijd moeite met zijn piano-muziek, juist met die sonates. Tijdens het Schubert-jaar 1978 (zijn 150-ste sterfjaar) woonde ik met enige tegenzin de talrijke recitals bij met Schubert-sonates die toen werden gehouden. Ik vond ze saai en had steeds het gevoel dat er iets ontbrak.
Wàt dat vermeende tekort was, ontdekte ik toen ik deze stukken op een Weense piano van omstreeks 1825 uitgevoerd hoorde. Plotseling vielen alle onderdelen in de compostie op hun plaats: de geoctaveerde melodieën in het hoogste register klonken niet meer kaal, maar mild en zangrijk, de trillers en loopjes in de bas werden verstaanbaar en door de intieme, warme klank van het oude instrument werd me duidelijk dat bij Schubert als bij geen ander, instrument en compositie onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. Hij schreef zijn muziek voor de salon en niet voor de concertzaal, hij schiep muziek voor liefhebbers en niet voor de menigte.
Sinds de opkomst van de vroege piano wordt er zoveel Schubert op oude instrumenten gespeeld, dat gesproken kan worden van een tweede Schubert-renaissance na Schnabels pionierswerk. Uitgangspunt van deze uitvoeringen is het zoeken naar piano's die zo dicht mogelijk bij die van de componisten staan.
Bij Schubert is het moeilijk om na te gaan welke dat precies is. Geen van zijn eigen instrumenten bleef namelijk bewaard. Wel bestaan er nog piano's die in bezit waren bij familie-leden en kennissenkring waarop hij heeft gespeeld. Zoals de vleugel van zijn broer Ferdinand bij wie de doodzieke Schubert zijn intrek had genomen. Dit instrument, waarop de laatste drie sonates ontstonden, wordt bewaard in het als museum ingerichte sterfhuis van de componist aan de Kettenbrücke Gasse te Wenen.
Deze ongedateerde vleugel van Elwerkember is van een type dat omstreeks 1820 op grote schaal in Wenen werd gefabriceerd. Dat maakt het voor de moderne fortepianisten gemakkelijk een piano uit te zoeken, omdat een exemplaar ongeacht welke bouwer uit die tijd bruikbaar is. Veelal zal men terechtkomen bij een vleugel van de grootste bouwer uit deze periode, Conrad Graf, van wie de jonge Schubert zelf een instrument heeft bezeten. Dit kreeg hij in 1814 van zijn vader nadat op 16 oktober 1814 zijn Mis in F-groot was uitgevoerd.
Zou het toeval zijn dat hij vlak daarna op de volgende tekst van Christian Schubart een lied componeerde, dat gezien kan worden als een ode aan het kennelijk zo door hem geliefde instrument:
'Sanftes Klavier, Welche Entzückungen schaffest du mir, Sanftes Klavier! Wenn sich die Schönen Tündelnd verwöhnen, Weih' ich mich dir, Liebes Klavier!'
De tekening van Moritz von Schwind biedt dàt beeld van een componist op een intiem moment met zijn 'Liebes Klavier'.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.