*

 
dossier

Archief

De dood op school: zonder een draaiboek vergeet je gauw iets

Door: redactie − 17/01/96, 00:00

Van een onzer verslaggeefsters ALKMAAR - De Alkmaarse drie-mavo klas krijgt weer gewoon les. Anderhalve week na de zelfmoord van een klasgenoot, hadden de leerlingen behoefte aan 'normaal doen.' Hun leraren ondertussen zijn extra alert. “Want het kan zijn dat anderen, die soortgelijke ideeën in hun hoofd hebben, uit zijn dood een soort moed putten”, zegt sectordirecteur J. Bremer.

Vorige week zondag maakte Paul van der Wiel (14), drie-mavo-leerling van het Jan van Scorelcollege, een eind aan zijn leven. Samen met zijn vriend Robert van Dijk (17) ging hij voor een trein liggen. Robert zat op de Streekschool Groene Sector in Alkmaar. Bremer heeft begrepen dat ze elkaar van de basisschool kenden.

Het was voor het Jan van Scorelcollege niet voor het eerst dat een van de leerlingen bewust een einde aan zijn leven maakte. Acht jaar terug moest de school een zelfde klap verwerken, twee jaar geleden weer.

Het Jan van Scorel heeft - dan ook, zou je bijna zeggen -, een draaiboek voor de omgang met de dood van een lid van de schoolgemeenschap. Vandaag publiceert het Katholiek pedagogisch studiecentrum KPC een onderzoek naar de omgang met de dood in het basis- en voortgezet onderwijs. Daaruit blijkt dat 38 procent van de scholen in het voortgezet onderwijs een dergelijke handleiding heeft. In het basisonderwijs is dat zes procent.

Net nadat de conciërge hem had ingelicht over de dood van Paul, heeft Bremer het draaiboek nog even doorgenomen met de leerlingbegeleider. “Het geeft je steun”, zegt hij. “Vooral voor praktische dingen.” Zo heeft het team Pauls klas, waarin ook het meisje zat met wie hij verkering had gehad, apart genomen. De school heeft de ouders van alle leerlingen in het gebouw schriftelijk ingelicht, zieke leraren en part-timers zijn gebeld, de leerlingbegeleider en de klassementor zijn bij de familie op bezoek geweest. Zonder draaiboek zou je snel iets vergeten, denkt Bremer. En dat is al gauw heel erg onzorgvuldig.

Paul lag goed in de groep, weet de directeur. “Hij was vrij open, een beetje macho-achtig. Daar kijken leerlingen tegenop.” Zijn dood bleek een dood met voorbedachten rade. De jongen had een vriendenclubje waarin ze kwesties van leven bespraken, maar vooral ook van dood. “Dat was min of meer experimenteel”, zegt de directeur. “Ze vroegen zich af wat de dood zou zijn, en of ze dat moesten onderzoeken.”

In die vriendengroep zaten jongens èn meisjes. Dat is in zoverre verwonderlijk, dat uit het KPC-onderzoek onder bijna 200 leraren en een kleine 600 leerlingen blijkt dat meisjes makkelijker en vaker over de dood praten dan jongens. Ook gaan ze vaker naar begrafenissen.

Drie kwart van de onderzochte leerlingen is al op de basisschool met de dood in aanraking gekomen. Voor de 14-jarigen is dat bijna 98 procent. In meer dan de helft van de gevallen gaat het om de dood van een opa of oma. Van anderhalf procent is een ouder overleden. Datzelfde getal geldt voor de dood van een klasgenoot of leraar.

Het onderzoek maakt geen onderscheid naar doodsoorzaak. De Alkmaarse directeur weet echter uit ervaring dat het nogal wat uitmaakt of een leerling is verongelukt, overleden is na een ziekte of zèlf de dood heeft verkozen boven het leven. “Zelfmoord is heel anders”, zegt hij. “Hier blijf je achter met veel vragen, ook met de vraag wat iemand heeft aangericht.” Tijdens de begrafenis van Paul heeft Bremer in een toespraak gezegd dat suïcide niet te begrijpen is en niet goed te praten, “al was het alleen maar wegens het verdriet en de pijn die worden aangericht bij anderen.”

De school heeft de leerlingen volkomen vrijgelaten of ze al dan niet aanwezig zouden zijn bij condoléance en begrafenis. Het gebouw waarin de tweede en derde klassen les krijgen was die vrijdagmiddag gesloten, zodat iedereen die wilde, kon gaan. Dat waren er velen.

Bremer en zijn team hebben de indruk dat de klas op een goede manier met Pauls dood zijn omgegaan. De leerlingen hebben elkaar gesteund, zegt hij en de klas is niet in groepjes uit elkaar gevallen. Bremer: “Ze hebben ervaren dat er ruimte is voor emoties, niet alleen nu, maar ook later. Ik denk dat dat belangrijk is. Aan de uiterlijke schijn zou je aflezen dat de verwerking achter hen ligt. Maar het is een derde klas, het kan heel goed zijn dat het volgend jaar bij de diploma-uitreiking weer naar boven komt. Dat hangt ook van de klas af.”

De 'nazorg' geldt nu vooral de minder stabiele leerling, die mogelijk in dit concrete geval een voorbeeld ziet. Mentoren, docenten en conciërges is gevraagd extra alert te zijn. Bremer: “Je blijft toch proberen het voor te zijn.”

mailIcon print |